Lucas 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen stonden ze allen op, en voerden Hem gezamenlijk naar Pilatus.
1Et surgens omnis multitudo eorum, duxerunt illum ad Pilatum.
2Ze begonnen Hem aldus te beschuldigen: We hebben bevonden, dat deze man ons volk verleidt, en verbiedt aan den keizer schatting te betalen, en zich uitgeeft voor Christus, den Koning.
2Cœperunt autem illum accusare, dicentes: Hunc invenimus subvertentem gentem nostram, et prohibentem tributa dare Cæsari, et dicentem se Christum regem esse.
3Pilatus ondervroeg Hem, en zeide: Zijt Gij de Koning der Joden? Hij antwoordde hem: Gij zegt het.
3Pilatus autem interrogavit eum, dicens: Tu es rex Judæorum? At ille respondens ait: Tu dicis.
4Nu sprak Pilatus tot de opperpriesters en de menigte: Ik vind geen schuld in dien man.
4Ait autem Pilatus ad principes sacerdotum et turbas: Nihil invenio causæ in hoc homine.
5Maar ze hielden aan, en zeiden: Hij ruit door zijn leer het volk op in heel Judea, van Galilea af tot hier toe.
5At illi invalescebant, dicentes: Commovet populum docens per universam Judæam, incipiens a Galilæa usque huc.
6Zodra Pilatus dit hoorde, vroeg hij, of die man een Galileër was.
6Pilatus autem audiens Galilæam, interrogavit si homo Galilæus esset.
7En toen hij vernam, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond hij Hem naar Herodes, die in die dagen ook te Jerusalem vertoefde.
7Et ut cognovit quod de Herodis potestate esset, remisit eum ad Herodem, qui et ipse Jerosolymis erat illis diebus.
8Herodes was zeer verheugd, toen hij Jesus zag. Want reeds lang had hij verlangd, Hem te zien, om wat hij van Hem had gehoord; bovendien hoopte hij, Hem een of ander wonder te zien verrichten.
8Herodes autem viso Jesu, gavisus est valde. Erat enim cupiens ex multo tempore videre eum, eo quod audierat multa de eo, et sperabat signum aliquod videre ab eo fieri.
9Hij stelde Hem dan vele vragen, maar Jesus gaf hem geen antwoord.
9Interrogabat autem eum multis sermonibus. At ipse nihil illi respondebat.
10Ook de opperpriesters en schriftgeleerden waren er bij tegenwoordig, en beschuldigden Hem met grote heftigheid.
10Stabant autem principes sacerdotum et scribæ constanter accusantes eum.
11Nu ging Herodes met zijn gevolg Hem honen en bespotten; hij stak Hem in een schitterend gewaad, en zond Hem toen naar Pilatus terug.
11Sprevit autem illum Herodes cum exercitu suo: et illusit indutum veste alba, et remisit ad Pilatum.
12Die dag werden Herodes en Pilatus met elkander bevriend; vroeger waren ze vijanden geweest.
12Et facti sunt amici Herodes et Pilatus in ipsa die: nam antea inimici erant ad invicem.
13Nu riep Pilatus de opperpriesters, de oversten en het volk bijeen,
13Pilatus autem, convocatis principibus sacerdotum, et magistratibus, et plebe,
14en sprak tot hen: Gij hebt dezen man bij me gebracht als een volksopruier; zie, ik heb Hem in uw bijzijn verhoord, en dien man aan niets schuldig bevonden van al wat gij Hem ten laste legt.
14dixit ad illos: Obtulistis mihi hunc hominem, quasi avertentem populum, et ecce ego coram vobis interrogans, nullam causam inveni in homine isto ex his in quibus eum accusatis.
15Herodes evenmin; want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd. Zie, Hij heeft niets bedreven, wat de dood zou verdienen.
15Sed neque Herodes: nam remisi vos ad illum, et ecce nihil dignum morte actum est ei.
16Ik zal Hem dus vrijlaten, maar Hem eerst laten geselen!
16Emendatum ergo illum dimittam.
17Nu had hij een verplichting, hun op het feest één gevangene vrij te laten.
17Necesse autem habebat dimittere eis per diem festum unum.
18Maar ze schreeuwden allen tezamen: Weg met Hem, en laat ons Barabbas vrij.
18Exclamavit autem simul universa turba, dicens: Tolle hunc, et dimitte nobis Barabbam:
19Deze was om een oproer, dat in de stad was uitgebroken, en om een moord in de gevangenis geworpen.
19qui erat propter seditionem quamdam factam in civitate et homicidium missus in carcerem.
20Opnieuw sprak Pilatus hun toe, daar hij Jesus wilde vrijlaten.
20Iterum autem Pilatus locutus est ad eos, volens dimittere Jesum.
21Maar ze schreeuwden er tegen in: Kruisig Hem, kruisig Hem!
21At illi succlamabant, dicentes: Crucifige, crucifige eum.
22Ten derden male zei hij hun: Wat kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik heb in Hem geen doodschuld gevonden; ik zal Hem dus vrijlaten, maar Hem eerst laten geselen!
22Ille autem tertio dixit ad illos: Quid enim mali fecit iste? nullam causam mortis invenio in eo: corripiam ergo illum et dimittam.
23Maar luid gillend hielden ze aan, en eisten, dat Hij gekruisigd zou worden; en hun kreten wonnen het pleit.
23At illi instabant vocibus magnis postulantes ut crucifigeretur: et invalescebant voces eorum.
24Pilatus besliste, dat hun eis zou worden ingewilligd.
24Et Pilatus adjudicavit fieri petitionem eorum.
25Hij liet op hun verzoek den man vrij, die om oproer en moord in de gevangenis was geworpen; maar Jesus leverde hij aan hun willekeur over.
25Dimisit autem illis eum qui propter homicidium et seditionem missus fuerat in carcerem, quem petebant: Jesum vero tradidit voluntati eorum.
26En terwijl ze Hem wegvoerden, hielden ze zekeren Simon van Cyrene aan, die juist van het veld kwam, en legden hem het kruis op, om het Jesus achterna te dragen.
26Et cum ducerent eum, apprehenderunt Simonem quemdam Cyrenensem venientem de villa: et imposuerunt illi crucem portare post Jesum.
27Een grote volksmenigte volgde Hem; ook een menigte vrouwen, die zich op de borst sloegen en over Hem weenden.
27Sequebatur autem illum multa turba populi et mulierum, quæ plangebant et lamentabantur eum.
28Maar Jesus keerde Zich om, en sprak tot haar: Dochters van Jerusalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen.
28Conversus autem ad illas Jesus, dixit: Filiæ Jerusalem, nolite flere super me, sed super vos ipsas flete et super filios vestros.
29Want zie, er komen dagen, waarop men zal zeggen: “Zalig de onvruchtbaren; de schoot die niet heeft gebaard, en de borsten die niet hebben gevoed.”
29Quoniam ecce venient dies in quibus dicent: Beatæ steriles, et ventres qui non genuerunt, et ubera quæ non lactaverunt.
30Dan zal men tot de bergen gaan zeggen: “Valt op ons neer”; en tot de heuvelen: “Bedekt ons”.
30Tunc incipient dicere montibus: Cadite super nos; et collibus: Operite nos.
31Want als men zó met het groene hout handelt, wat zal er dan met het dorre geschieden?
31Quia si in viridi ligno hæc faciunt, in arido quid fiet?
32Nog twee anderen, twee misdadigers, werden weggeleid, om tegelijk met Hem de doodstraf te ondergaan.
32Ducebantur autem et alii duo nequam cum eo, ut interficerentur.
33Toen ze op de plaats waren gekomen, die Kalvárië wordt genoemd, sloegen ze Hem aan het kruis; zo ook de misdadigers, één aan zijn rechterhand, één aan de linker.
33Et postquam venerunt in locum qui vocatur Calvariæ, ibi crucifixerunt eum: et latrones, unum a dextris, et alterum a sinistris.
34En Jesus zeide: Vader, vergeef het hun; want ze weten niet, wat ze doen. En ze verdeelden zijn klederen bij het lot.
34Jesus autem dicebat: Pater, dimitte illis: non enim sciunt quid faciunt. Dividentes vero vestimenta ejus, miserunt sortes.
35Het volk stond toe te zien; maar de oversten beschimpten Hem, en zeiden: Anderen heeft Hij gered, laat Hij nu Zichzelf eens redden, zo Hij de uitverkoren Christus van God is.
35Et stabat populus spectans, et deridebant eum principes cum eis, dicentes: Alios salvos fecit, se salvum faciat, si hic est Christus Dei electus.
36Ook de soldaten bespotten Hem; ze kwamen Hem azijn aanbieden,
36Illudebant autem ei et milites accedentes, et acetum offerentes ei,
37en zeiden: Zo Gij de Koning der Joden zijt, red dan Uzelf.
37et dicentes: Si tu es rex Judæorum, salvum te fac.
38En boven zijn hoofd stond als opschrift: Dit is de Koning der Joden.
38Erat autem et superscriptio scripta super eum litteris græcis, et latinis, et hebraicis: Hic est rex Judæorum.
39Ook één der gekruisigde misdadigers begon Hem te honen, en zeide: Zijt Gij de Christus niet? Red Uzelf dan en ons!
39Unus autem de his, qui pendebant, latronibus, blasphemabat eum, dicens: Si tu es Christus, salvum fac temetipsum et nos.
40Maar de ander strafte hem af, en gaf hem ten antwoord: Vreest ge God nòg niet, nu ge toch dezelfde straf ondergaat?
40Respondens autem alter increpabat eum, dicens: Neque tu times Deum, quod in eadem damnatione es.
41En wij te recht, wij krijgen ons verdiende loon; maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.
41Et nos quidem juste, nam digna factis recipimus: hic vero nihil mali gessit.
42Toen zeide hij: Jesus gedenk mijner, wanneer Gij in uw rijk zijt gekomen.
42Et dicebat ad Jesum: Domine, memento mei cum veneris in regnum tuum.
43En Jesus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: heden zult ge met Mij zijn in het paradijs.
43Et dixit illi Jesus: Amen dico tibi: hodie mecum eris in paradiso.
44Het was nu reeds het zesde uur ongeveer, en tot het negende toe werd het donker over heel het land;
44Erat autem fere hora sexta, et tenebræ factæ sunt in universam terram usque ad horam nonam.
45want de zon werd verduisterd. Ook scheurde het voorhangsel van de tempel middendoor.
45Et obscuratus est sol, et velum templi scissum est medium.
46Toen riep Jesus met luider stem: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. Na deze woorden gaf Hij de geest.
46Et clamans voce magna Jesus ait: Pater, in manus tuas commendo spiritum meum. Et hæc dicens, expiravit.
47Toen nu de honderdman zag wat er gebeurd was, verheerlijkte hij God, en zeide: Waarachtig, deze man was een rechtvaardige.
47Videns autem centurio quod factum fuerat, glorificavit Deum, dicens: Vere hic homo justus erat.
48En heel de menigte, die voor dit schouwspel was saamgestroomd, en het gebeurde aanschouwd had, sloeg zich op de borst, en ging heen.
48Et omnis turba eorum, qui simul aderant ad spectaculum istud, et videbant quæ fiebant, percutientes pectora sua revertebantur.
49Maar al zijn bekenden, met de vrouwen, die Hem van Galilea af waren gevolgd, stonden van verre toe te zien.
49Stabant autem omnes noti ejus a longe, et mulieres, quæ secutæ eum erant a Galilæa, hæc videntes.
50Nu was er een man, Josef genaamd, die lid was van de Raad; maar hij was een braaf en rechtschapen man,
50Et ecce vir nomine Joseph, qui erat decurio, vir bonus et justus:
51die aan hun plannen en drijven geen deel had genomen. Hij was van Arimatea, een joodse stad, en verwachtte ook zelf het koninkrijk Gods.
51hic non consenserat consilio, et actibus eorum: ab Arimathæa civitate Judææ, qui exspectabat et ipse regnum Dei:
52Hij ging naar Pilatus, om het lichaam van Jesus te vragen.
52hic accessit ad Pilatum et petiit corpus Jesu:
53Hij nam het af, wikkelde het in lijnwaad, en legde het in een graf, dat in de rots was uitgehouwen, en waarin nog nooit iemand was neergelegd.
53et depositum involvit sindone, et posuit eum in monumento exciso, in quo nondum quisquam positus fuerat.
54Het was vrijdag, en de sabbat brak aan.
54Et dies erat parasceves, et sabbatum illucescebat.
55De vrouwen, die met hem uit Galilea waren gekomen, gingen mee, en zagen het graf, en hoe zijn lichaam er in werd gelegd.
55Subsecutæ autem mulieres, quæ cum eo venerant de Galilæa, viderunt monumentum, et quemadmodum positum erat corpus ejus.
56Daarna gingen ze heen, en maakten specerijen en balsem gereed; maar op de sabbat hielden ze de voorgeschreven rustdag.
56Et revertentes paraverunt aromata, et unguenta: et sabbato quidem siluerunt secundum mandatum.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.