1 Kronieken 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Hier volgen de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issakar, Zabulon,
1אלה בני ישראל ראובן שמעון לוי ויהודה יששכר וזבלון׃
2Dan, Josef, Benjamin, Neftali, Gad en Aser.
2דן יוסף ובנימן נפתלי גד ואשר׃
3De zonen van Juda waren Er, Onan en Sjela; deze drie werden hem geschonken door Bat-Sjóea, de kanaänietische. Er, Juda’s oudste zoon, deugde niet in Jahweh’s ogen; daarom strafte Hij hem met de dood.
3בני יהודה ער ואונן ושלה שלושה נולד לו מבת שוע הכנענית ויהי ער בכור יהודה רע בעיני יהוה וימיתהו׃
4Zijn schoondochter Tamar schonk hem Fáres en Zara. Juda had dus in het geheel vijf kinderen.
4ותמר כלתו ילדה לו את פרץ ואת זרח כל בני יהודה חמשה׃
5De zonen van Fáres waren Chesron en Chamoel.
5בני פרץ חצרון וחמול׃
6De zonen van Zara waren: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Déra; in het geheel vijf.
6ובני זרח זמרי ואיתן והימן וכלכל ודרע כלם חמשה׃
7De zoon van Zimri was Karmi; de zoon van Karmi was Akar, die Israël in het verderf stortte, omdat hij zich aan de ban vergreep.
7ובני כרמי עכר עוכר ישראל אשר מעל בחרם׃
8De zoon van Etan was Azarja.
8ובני איתן עזריה׃
9De zonen, die Chesron kreeg, waren Jerachmeël, Ram en Keloebai.
9ובני חצרון אשר נולד לו את ירחמאל ואת רם ואת כלובי׃
10Ram verwekte Amminadab; Amminadab verwekte Naässon, het opperhoofd der Judeërs;
10ורם הוליד את עמינדב ועמינדב הוליד את נחשון נשיא בני יהודה׃
11Naässon verwekte Salma; Salma verwekte Bóoz,
11ונחשון הוליד את שלמא ושלמא הוליד את בעז׃
12Bóoz verwekte Obed; Obed verwekte Jesse.
12ובעז הוליד את עובד ועובד הוליד את ישי׃
13Jesse verwekte Eliab zijn eerstgeborene, Abinadab zijn tweede, Sjima zijn derde,
13ואישי הוליד את בכרו את אליאב ואבינדב השני ושמעא השלישי׃
14Netanel zijn vierde, Raddai zijn vijfde,
14נתנאל הרביעי רדי החמישי׃
15Osem zijn zesde, en David zijn zevende zoon.
15אצם הששי דויד השבעי׃
16Hun zusters heetten Seroeja en Abigáil. De zonen van Seroeja waren Absjai, Joab en Asaël, in het geheel drie.
16ואחיתיהם צרויה ואביגיל ובני צרויה אבשי ויואב ועשה אל שלשה׃
17Abigáil bracht Amasa ter wereld; de vader van Amasa was Jéter, de Jisjmaëliet.
17ואביגיל ילדה את עמשא ואבי עמשא יתר הישמעאלי׃
18Kaleb, de zoon van Chesron, kreeg van zijn vrouw Azoeba een dochter, Jeriot genaamd; haar zonen waren: Jésjer, Sjobab en Ardon.
18וכלב בן חצרון הוליד את עזובה אשה ואת יריעות ואלה בניה ישר ושובב וארדון׃
19Na de dood van Azoeba trouwde Kaleb met Efrat; deze schonk hem Choer.
19ותמת עזובה ויקח לו כלב את אפרת ותלד לו את חור׃
20Choer verwekte Oeri, Oeri verwekte Besalel.
20וחור הוליד את אורי ואורי הוליד את בצלאל׃
21Later hield Chesron gemeenschap met de dochter van Makir, den stamvader van Gilad; hij huwde haar, ofschoon hij al zestig was, en zij schonk hem Segoeb.
21ואחר בא חצרון אל בת מכיר אבי גלעד והוא לקחה והוא בן ששים שנה ותלד לו את שגוב׃
22Segoeb verwekte Jaïr; hij beschikte over drie en twintig steden in het land Gilad.
22ושגוב הוליד את יאיר ויהי לו עשרים ושלוש ערים בארץ הגלעד׃
23Maar Gesjoer en Aram ontnamen hun de kampementen van Jaïr, namelijk Kenat met bijbehorende plaatsen; in het geheel zestig plaatsen, allemaal stichtingen van Makir, den stamvader van Gilad.
23ויקח גשור וארם את חות יאיר מאתם את קנת ואת בנתיה ששים עיר כל אלה בני מכיר אבי גלעד׃
24Na de dood van Chesron hield Kaleb gemeenschap met de vrouw van zijn vader Chesron, en zij schonk hem Asjchoer, den stichter van Tekóa.
24ואחר מות חצרון בכלב אפרתה ואשת חצרון אביה ותלד לו את אשחור אבי תקוע׃
25De zonen van Jerachmeël, den oudsten zoon van Chesron waren: Ram, de oudste, en zijn broers Boena, Oren, en Osem.
25ויהיו בני ירחמאל בכור חצרון הבכור רם ובונה וארן ואצם אחיה׃
26Ook had Jerachmeël nog een andere vrouw, die Atara heette; zij was de moeder van Onam.
26ותהי אשה אחרת לירחמאל ושמה עטרה היא אם אונם׃
27De zonen van Ram, den oudsten zoon van Jerachmeël, waren: Máas, Jamin en Éker.
27ויהיו בני רם בכור ירחמאל מעץ וימין ועקר׃
28De zonen van Onam waren Sjammai en Jada. De zonen van Sjammai waren Nadab en Abisjoer.
28ויהיו בני אונם שמי וידע ובני שמי נדב ואבישור׃
29De vrouw van Abisjoer heette Abicháil; zij schonk hem Achban en Molid.
29ושם אשת אבישור אביהיל ותלד לו את אחבן ואת מוליד׃
30De zonen van Nadab waren Séled en Appáim. Séled stierf zonder kinderen,
30ובני נדב סלד ואפים וימת סלד לא בנים׃
31maar Appáim verwekte Jisji. De zoon van Jisji was Sjesjan. De zoon van Sjesjan was Achlai.
31ובני אפים ישעי ובני ישעי ששן ובני ששן אחלי׃
32De zonen van Jada, den broer van Sjammai, waren Jéter en Jonatan. Jéter stierf zonder kinderen,
32ובני ידע אחי שמי יתר ויונתן וימת יתר לא בנים׃
33maar Jonatan verwekte Pélet en Zaza. Dit waren de afstammelingen van Jerachmeël.
33ובני יונתן פלת וזזא אלה היו בני ירחמאל׃
34Sjesjan had alleen maar dochters, geen zonen. Sjesjan bezat echter een egyptischen slaaf, die Jarcha heette;
34ולא היה לששן בנים כי אם בנות ולששן עבד מצרי ושמו ירחע׃
35daarom gaf Sjesjan zijn dochter tot vrouw aan zijn slaaf Jarcha; zij schonk hem Attai.
35ויתן ששן את בתו לירחע עבדו לאשה ותלד לו את עתי׃
36Attai verwekte Natan; Natan verwekte Zabad;
36ועתי הליד את נתן ונתן הוליד את זבד׃
37Zabad verwekte Eflal; Eflal verwekte Obed;
37וזבד הוליד את אפלל ואפלל הוליד את עובד׃
38Obed verwekte Jehoe; Jehoe verwekte Azarja;
38ועובד הוליד את יהוא ויהוא הוליד את עזריה׃
39Azarja verwekte Chéles; Chéles verwekte Elasa;
39ועזריה הליד את חלץ וחלץ הליד את אלעשה׃
40Elasa verwekte Sismai; Sismai verwekte Sjalloem;
40ואלעשה הליד את ססמי וססמי הליד את שלום׃
41Sjalloem verwekte Jekamja; Jekamja verwekte Elisjama.
41ושלום הוליד את יקמיה ויקמיה הליד את אלישמע׃
42De oudste zoon van Kaleb, den broer van Jerachmeël, was Mesja; deze was de vader van Zif en van de zonen van Maresja, den vader van Hebron.
42ובני כלב אחי ירחמאל מישע בכרו הוא אבי זיף ובני מרשה אבי חברון׃
43De zonen van Hebron waren Kórach, Tappóeach, Rékem en Sjéma.
43ובני חברון קרח ותפח ורקם ושמע׃
44Sjéma verwekte Rácham, den vader van Jorkeam; Rékem verwekte Sjammai.
44ושמע הוליד את רחם אבי ירקעם ורקם הוליד את שמי׃
45De zoon van Sjammai was Maon; Maon was de vader van Bet-Soer.
45ובן שמי מעון ומעון אבי בית צור׃
46Efa, de bijvrouw van Kaleb, schonk het leven aan Charan, Mosa en Gazez. Charan verwekte Jodai.
46ועיפה פילגש כלב ילדה את חרן ואת מוצא ואת גזז וחרן הליד את גזז׃
47De zonen van Jodai waren: Régem, Jotam, Gesjan, Pélet, Efa en Sjáaf.
47ובני יהדי רגם ויותם וגישן ופלט ועיפה ושעף׃
48Maäka, een bijvrouw van Kaleb, schonk het leven aan Sjéber en Tirchana;
48פלגש כלב מעכה ילד שבר ואת תרחנה׃
49ook baarde zij Sjáaf, den vader van Madmanna, en Sjewa, den vader van Makbena en Giba. Aksa was de dochter van Kaleb.
49ותלד שעף אבי מדמנה את שוא אבי מכבנה ואבי גבעא ובת כלב עכסה׃
50Dit waren de afstammelingen van Kaleb. De zonen van Choer, den oudsten zoon van Efrat, waren Sjobal de vader van Kirjat-Jearim,
50אלה היו בני כלב בן חור בכור אפרתה שובל אבי קרית יערים׃
51Salma de vader van Betlehem, en Charef de vader van Bet-Gader.
51שלמא אבי בית לחם חרף אבי בית גדר׃
52Sjobal, de vader van Kirjat-Jearim, had nog andere kinderen, namelijk: Reaja, het halve geslacht Manáchat.
52ויהיו בנים לשובל אבי קרית יערים הראה חצי המנחות׃
53In Kirjat-Jearim woonden de volgende geslachten: dat van Jéter, van Poet, van Sjoema en van Misjra; hieruit kwamen weer de lieden van Sora en Esjtaol voort.
53ומשפחות קרית יערים היתרי והפותי והשמתי והמשרעי מאלה יצאו הצרעתי והאשתאלי׃
54De zonen van Salma waren Betlehem, het geslacht van Netofa, Atrot-Bet-Joab, het halve geslacht Manáchat, de Sorieten,
54בני שלמא בית לחם ונטופתי עטרות בית יואב וחצי המנחתי הצרעי׃
55en de geslachten der schriftgeleerden, die te Jabes woonden, namelijk die van Tira, van Sjima en van Sjoeka. Dit waren de Kinieten, die van Chammat afstammen, den vader van de familie Rekab.
55ומשפחות ספרים ישבו יעבץ תרעתים שמעתים שוכתים המה הקינים הבאים מחמת אבי בית רכב׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.