Klaagliederen
Chapter 3

Klaagliederen

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Ik ben de man, die ellende aanschouwde Door de roede van zijn verbolgenheid;
1YO soy el hombre que ha visto aflicción en la vara de su enojo.
2Hij heeft mij gedreven en opgejaagd De diepste duisternis in;
2Guióme y llevóme en tinieblas, mas no en luz.
3Telkens keerde Hij zijn hand tegen mij, Elke dag opnieuw.
3Ciertamente contra mí volvió y revolvió su mano todo el día.
4Hij heeft mijn vlees en huid doen verkwijnen, Mijn beenderen gebroken;
4Hizo envejecer mi carne y mi piel; quebrantó mis huesos.
5Overal rond mij opgestapeld Gal en kommer;
5Edificó contra mí, y cercóme de tósigo y de trabajo.
6Mij in het donker doen zitten Als de doden uit aloude tijden.
6Asentóme en oscuridades, como los ya muertos de mucho tiempo.
7Hij metselde mij in, zodat ik niet kon ontsnappen, En verzwaarde mijn ketens;
7Cercóme por todos lados, y no puedo salir; agravó mis grillos.
8Hoe ik ook klaagde en schreide, Hij bleef doof voor mijn smeken;
8Aun cuando clamé y dí voces, cerro los oídos á mi oración.
9Hij versperde mijn wegen met stenen, Vernielde mijn paden.
9Cercó mis caminos con piedra tajada, torció mis senderos.
10Hij loerde op mij als een beer, Als een leeuw, die in hinderlaag ligt;
10Como oso que acecha fué para mí, como león en escondrijos.
11Hij sleurde mij van mijn wegen, om mij te verscheuren, En stortte mij in het verderf;
11Torció mis caminos, y depedazóme; tornóme asolado.
12Hij spande zijn boog, En maakte mij doel van de pijl.
12Su arco entesó, y púsome como blanco á la saeta.
13Hij schoot door mijn nieren De pijlen van zijn koker.
13Hizo entrar en mis riñones las saetas de su aljaba.
14Voor alle volken werd ik een hoon, Een spotlied altijd herhaald.
14Fuí escarnio á todo mi pueblo, canción de ellos todos los días.
15Hij heeft met bitterheid mij verzadigd, Met alsem gedrenkt.
15Hartóme de amarguras, embriagóme de ajenjos.
16Op kiezel heeft Hij mijn tanden doen bijten, Met as mij gespijsd;
16Quebróme los dientes con cascajo, cubrióme de ceniza.
17De vrede werd mijn ziel ontroofd, Wat geluk is, ken ik niet meer.
17Y mi alma se alejó de la paz, olvidéme del bien.
18Ik zeide: Weg is mijn roemen, Mijn hopen op Jahweh!
18Y dije: Pereció mi fortaleza, y mi esperanza de Jehová.
19Gedenk toch mijn nood en mijn angst, Mijn alsem en gal!
19Acuérdate de mi aflicción y de mi abatimiento, del ajenjo y de la hiel.
20Ja, Gij zult zeker gedenken, Hoe mijn ziel gaat gebukt:
20Tendrálo aún en memoria mi alma, porque en mí está humillada.
21Dit blijf ik altijd bepeinzen, Hierop altijd vertrouwen!
21Esto reduciré á mi corazón, por lo cual esperaré.
22Neen, Jahweh’s genaden nemen geen einde, Nooit houdt zijn barmhartigheid op:
22Es por la misericordia de Jehová que no somos consumidos, porque nunca decayeron sus misericordias.
23Iedere morgen zijn ze nieuw, En groot is uw trouw.
23Nuevas son cada mañana; grande es tu fidelidad.
24Mijn deel is Jahweh! zegt mijn ziel, En daarom vertrouw ik op Hem!
24Mi parte es Jehová, dijo mi alma; por tanto en él esperaré.
25Goed is Jahweh voor die op Hem hopen, Voor iedereen, die Hem zoekt;
25Bueno es Jehová á los que en él esperan, al alma que le buscare.
26Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh;
26Bueno es esperar callando en la salud de Jehová.
27Goed is het den mens, zijn juk te dragen Van de prilste jeugd af!
27Bueno es al hombre, si llevare el yugo desde su mocedad.
28Hij moet in de eenzaamheid zwijgen, Wanneer Hij het hem oplegt;
28Sentaráse solo, y callará, porque lo llevó sobre sí.
29Zijn mond in het stof blijven drukken. Misschien is er hoop;
29Pondrá su boca en el polvo, por si quizá hay esperanza.
30Zijn wangen bieden aan hem, die hem slaat, Verzadigd worden met smaad.
30Dará la mejilla al que le hiriere; hartaráse de afrenta.
31Neen, de Heer verlaat niet voor immer De kinderen der mensen!
31Porque el Señor no desechará para siempre:
32Neen, na de kastijding erbarmt Hij zich weer, Naar zijn grote ontferming:
32Antes si afligiere, también se compadecerá según la multitud de sus misericordias.
33Want niet van harte plaagt en bedroeft Hij De kinderen der mensen!
33Porque no aflige ni congoja de su corazón á los hijos de los hombres.
34Dat men onder de voeten treedt, Allen, die in het land zijn gevangen:
34Desmenuzar bajo de sus pies todos los encarcelados de la tierra,
35Dat men het recht van een ander verkracht Voor het aanschijn van den Allerhoogste:
35Hacer apartar el derecho del hombre ante la presencia del Altísimo,
36Dat men den naaste geen recht laat geschieden: Zou de Heer dat niet zien?
36Trastornar al hombre en su causa, el Señor no lo sabe.
37Neen, op wiens bevel het ook is geschied, Heeft de Heer het niet geboden?
37¿Quién será aquel que diga, que vino algo que el Señor no mandó?
38Komt niet uit de mond van den Allerhoogste Het kwaad en het goed?
38¿De la boca del Altísimo no saldrá malo y bueno?
39Wat klaagt dan de mens bij zijn leven: Laat iedereen klagen over zijn zonde!
39¿Por qué murmura el hombre viviente, el hombre en su pecado?
40Laten wij ons gedrag onderzoeken en toetsen, En ons tot Jahweh bekeren;
40Escudriñemos nuestros caminos, y busquemos, y volvámonos á Jehová.
41Heffen wij ons hart op de handen omhoog Tot God in de hemel!
41Levantemos nuestros corazones con las manos á Dios en los cielos.
42Wij bleven zondigen, en waren opstandig: Gij kondt geen vergiffenis schenken!
42Nosotros nos hemos rebelado, y fuimos desleales; tú no perdonaste.
43Toen hebt Gij in toorn u gepantserd en ons achtervolgd, Meedogenloos ons gedood;
43Desplegaste la ira, y nos perseguiste; mataste, no perdonaste.
44U gehuld in een wolk, Waar geen bidden doorheen kon;
44Te cubriste de nube, porque no pasase la oración nuestra .
45Tot vuil en uitschot ons gemaakt Te midden der volken.
45Raedura y abominación nos tornaste en medio de los pueblos.
46Nu sperren allen de mond tegen ons op, Die onze vijanden zijn;
46Todos nuestros enemigos abrieron sobre nosotros su boca.
47Nu liggen wij in schrik en strik, Verwoesting, vernieling;
47Temor y lazo fué para nosotros, asolamiento y quebrantamiento.
48Nu storten onze ogen beken van tranen Om de ondergang van de dochter van mijn volk.
48Ríos de aguas echan mis ojos, por el quebrantamiento de la hija de mi pueblo.
49Rusteloos stromen mijn ogen En zonder verpozing,
49Mis ojos destilan, y no cesan, porque no hay alivio,
50Totdat Jahweh neerblikt, Uit de hemel toeziet.
50Hasta que Jehová mire y vea desde los cielos.
51Mijn oog doet mij wee Van al het schreien over mijn stad.
51Mis ojos contristaron mi alma, por todas las hijas de mi ciudad.
52Als een vogel maakten ze jacht op mij, Die zonder reden mijn vijanden zijn;
52Mis enemigos me dieron caza como á ave, sin por qué.
53Zij smoorden mij levend in een put, En wierpen mij nog stenen na;
53Ataron mi vida en mazmorra, pusieron piedra sobre mí.
54Het water stroomde over mijn hoofd, Ik dacht: Nu ben ik verloren!
54Aguas de avenida vinieron sobre mi cabeza; yo dije: Muerto soy.
55Toen riep ik uw Naam aan, o Jahweh, Uit het diepst van de put!
55Invoqué tu nombre, oh Jehová, desde la cárcel profunda.
56Gij hebt mijn smeken gehoord, uw oor niet gesloten Voor mijn zuchten en schreien;
56Oiste mi voz; no escondas tu oído á mi clamor, para mi respiro.
57Gij zijt gekomen, toen ik U riep, En hebt gesproken: Wees niet bang!
57Acercástete el día que te invoqué: dijiste: No temas.
58Heer, Gij naamt het voor mij op, En hebt mijn leven gered!
58Abogaste, Señor, la causa de mi alma; redimiste mi vida.
59Jahweh, Gij hebt mijn verdrukking gezien, Mij recht verschaft;
59Tú has visto, oh Jehová, mi agravio; defiende mi causa.
60Gij hebt hun wraakzucht aanschouwd, Al hun plannen tegen mij.
60Tú has visto toda su venganza; todos sus pensamientos contra mí.
61Jahweh, Gij hebt hun spotten gehoord, Al hun plannen tegen mij.
61Tú has oído el oprobio de ellos, oh Jehová, todas sus maquinaciones contra mí;
62Mijn vijand heeft lippen zowel als gedachten Altijd tegen mij gericht.
62Los dichos de los que contra mí se levantaron, y su designio contra mí todo el día.
63Zie toe; want of ze zitten of staan, Een spotlied ben ik voor hen!
63Su sentarse, y su levantarse mira: yo soy su canción.
64Jahweh, vergeld ze hun daden, Het werk hunner handen!
64Dales el pago, oh Jehová, según la obra de sus manos.
65Sla hun hart met verblinding, Henzelf met uw vloek;
65Dales ansia de corazón, tu maldición á ellos.
66Vervolg en verniel ze in gramschap Onder uw hemel, o Jahweh!
66Persíguelos en tu furor, y quebrántalos de debajo de los cielos, oh Jehová.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.