Klaagliederen 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Ik ben de man, die ellende aanschouwde Door de roede van zijn verbolgenheid;
1IO son l'uomo che ha veduta afflizione, Per la verga dell'indegnazion del Signore.
2Hij heeft mij gedreven en opgejaagd De diepste duisternis in;
2Egli mi ha condotto, e fatto camminar nelle tenebre, E non nella luce.
3Telkens keerde Hij zijn hand tegen mij, Elke dag opnieuw.
3Certo, egli mi ritorna addosso, E rivolge la sua mano contro a me tuttodì.
4Hij heeft mijn vlees en huid doen verkwijnen, Mijn beenderen gebroken;
4Egli ha fatta invecchiar la mia carne, e la mia pelle; Egli mi ha fiaccate le ossa.
5Overal rond mij opgestapeld Gal en kommer;
5Egli ha fatti degli edificii contro a me, E mi ha intorniato di tosco e di affanno.
6Mij in het donker doen zitten Als de doden uit aloude tijden.
6Egli mi ha fatto dimorare in luoghi tenebrosi, A guisa di quelli che son morti già da lungo tempo.
7Hij metselde mij in, zodat ik niet kon ontsnappen, En verzwaarde mijn ketens;
7Egli mi ha assiepato d'ogn'intorno, sì che non posso uscire; Egli ha aggravati i miei ceppi.
8Hoe ik ook klaagde en schreide, Hij bleef doof voor mijn smeken;
8Eziandio quando grido e sclamo, Egli chiude il passo alla mia orazione,
9Hij versperde mijn wegen met stenen, Vernielde mijn paden.
9Egli ha chiuse le mie vie di pietre conce a scarpello, Ha rinvolti i miei sentieri.
10Hij loerde op mij als een beer, Als een leeuw, die in hinderlaag ligt;
10Egli mi è stato un orso all'agguato, Un leone ne' suoi nascondimenti.
11Hij sleurde mij van mijn wegen, om mij te verscheuren, En stortte mij in het verderf;
11Egli ha traviate le mie vie, Mi ha tagliato a pezzi, mi ha renduto desolato.
12Hij spande zijn boog, En maakte mij doel van de pijl.
12Egli ha teso l'arco suo, E mi ha posto come un bersaglio incontro alle saette.
13Hij schoot door mijn nieren De pijlen van zijn koker.
13Egli mi ha fitti nelle reni Gli strali del suo turcasso.
14Voor alle volken werd ik een hoon, Een spotlied altijd herhaald.
14Io sono in derisione a tutti i popoli, E son la lor canzone tuttodì.
15Hij heeft met bitterheid mij verzadigd, Met alsem gedrenkt.
15Egli mi ha saziato di amaritudini, Mi ha inebbriato di assenzio.
16Op kiezel heeft Hij mijn tanden doen bijten, Met as mij gespijsd;
16Egli mi ha stritolati i denti con della ghiaia, Mi ha voltolato nella cenere.
17De vrede werd mijn ziel ontroofd, Wat geluk is, ken ik niet meer.
17E tu hai allontanata l'anima mia dalla pace, Ed io ho dimenticato il bene.
18Ik zeide: Weg is mijn roemen, Mijn hopen op Jahweh!
18E ho detto: Il Signore ha fatta perire la mia forza, E la mia speranza.
19Gedenk toch mijn nood en mijn angst, Mijn alsem en gal!
19Ricordati della mia afflizione, E del mio esilio; del tosco e dell'assenzio.
20Ja, Gij zult zeker gedenken, Hoe mijn ziel gaat gebukt:
20L'anima mia se ne ricorda del continuo, E se ne abbatte in me.
21Dit blijf ik altijd bepeinzen, Hierop altijd vertrouwen!
21Questo mi torna alla mente, Perciò spererò ancora .
22Neen, Jahweh’s genaden nemen geen einde, Nooit houdt zijn barmhartigheid op:
22Se non siamo stati del tutto consumati, È per le benignità del Signore; Perciocchè le sue misericordi non son venute meno;
23Iedere morgen zijn ze nieuw, En groot is uw trouw.
23Si rinnovano ogni mattina; La tua lealtà è grande.
24Mijn deel is Jahweh! zegt mijn ziel, En daarom vertrouw ik op Hem!
24Il Signore è la mia parte, ha detto l'anima mia; Perciò spererò in lui.
25Goed is Jahweh voor die op Hem hopen, Voor iedereen, die Hem zoekt;
25Il Signore è buono a quelli che l'aspettano, All'anima che lo ricerca.
26Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh;
26Buona cosa è di aspettare in silenzio La salute del Signore.
27Goed is het den mens, zijn juk te dragen Van de prilste jeugd af!
27Buona cosa è all'uomo di portare il giogo Nella sua giovanezza.
28Hij moet in de eenzaamheid zwijgen, Wanneer Hij het hem oplegt;
28Sieda egli pur solitario, ed in silenzio, Se Dio gliel'ha imposto!
29Zijn mond in het stof blijven drukken. Misschien is er hoop;
29Metta pur la sua bocca nella polvere! Forse, ci sarà ancora speranza;
30Zijn wangen bieden aan hem, die hem slaat, Verzadigd worden met smaad.
30Porga pur la guancia a chi lo percuote; Si sazî pur di vituperio!
31Neen, de Heer verlaat niet voor immer De kinderen der mensen!
31Poichè il Signore non rigetta in perpetuo;
32Neen, na de kastijding erbarmt Hij zich weer, Naar zijn grote ontferming:
32Anzi, se affligge, ha altresì compassione, Secondo la moltitudine delle sue benignità.
33Want niet van harte plaagt en bedroeft Hij De kinderen der mensen!
33Perciocchè s'egli affligge, E addolora i figliuoli degli uomini, Non lo fa volentieri.
34Dat men onder de voeten treedt, Allen, die in het land zijn gevangen:
34Mentre altri trita sotto i suoi piedi Tutti i prigioni della terra;
35Dat men het recht van een ander verkracht Voor het aanschijn van den Allerhoogste:
35Mentre altri pervertisce la ragion dell'uomo, Nel cospetto dell'Altissimo;
36Dat men den naaste geen recht laat geschieden: Zou de Heer dat niet zien?
36Mentre altri fa torto all'uomo nella sua lite; Il Signore nol vede egli?
37Neen, op wiens bevel het ook is geschied, Heeft de Heer het niet geboden?
37Chi è colui che abbia detta qualche cosa , e quella sia avvenuta, Che il Signore non l'abbia comandata?
38Komt niet uit de mond van den Allerhoogste Het kwaad en het goed?
38Non procedono i mali ed i beni Dalla bocca dell'Altissimo?
39Wat klaagt dan de mens bij zijn leven: Laat iedereen klagen over zijn zonde!
39Perchè si rammarica l'uomo vivente? Perchè si rammarica l'uomo della pena del suo peccato?
40Laten wij ons gedrag onderzoeken en toetsen, En ons tot Jahweh bekeren;
40Esaminiamo le nostre vie, E ricerchiamo le e convertiamoci al Signore.
41Heffen wij ons hart op de handen omhoog Tot God in de hemel!
41Alziamo i nostri cuori, e le palme delle mani, A Dio ne' cieli, dicendo:
42Wij bleven zondigen, en waren opstandig: Gij kondt geen vergiffenis schenken!
42Noi abbiam misfatto, e siamo stati ribelli; E tu non hai perdonato.
43Toen hebt Gij in toorn u gepantserd en ons achtervolgd, Meedogenloos ons gedood;
43Tu ci hai coperti d'ira, e ci hai perseguitati; Tu hai ucciso e non hai risparmiato.
44U gehuld in een wolk, Waar geen bidden doorheen kon;
44Tu hai distesa una nuvola intorno a te, Acciocchè l'orazione non passasse.
45Tot vuil en uitschot ons gemaakt Te midden der volken.
45Tu ci hai fatti essere spazzature, Ed abbominio, per mezzo i popoli.
46Nu sperren allen de mond tegen ons op, Die onze vijanden zijn;
46Tutti i nostri nemici hanno aperta la bocca contro a noi.
47Nu liggen wij in schrik en strik, Verwoesting, vernieling;
47Noi siamo incorsi in ispavento, ed in fossa; In desolazione, ed in fiaccamento.
48Nu storten onze ogen beken van tranen Om de ondergang van de dochter van mijn volk.
48L'occhio mio cola in rivi d'acque, Per lo fiaccamento della figliuola del mio popolo.
49Rusteloos stromen mijn ogen En zonder verpozing,
49L'occhio mio stilla, senza posa, E non ha alcuna requie;
50Totdat Jahweh neerblikt, Uit de hemel toeziet.
50Finchè il Signore non riguarda, E non vede dal cielo.
51Mijn oog doet mij wee Van al het schreien over mijn stad.
51L'occhio mio affanna l'anima mia, Per tutte le figliuole della mia città.
52Als een vogel maakten ze jacht op mij, Die zonder reden mijn vijanden zijn;
52Quelli che senza cagione, mi son nemici, Mi han cacciato del continuo, come un uccelletto;
53Zij smoorden mij levend in een put, En wierpen mij nog stenen na;
53Hanno troncata la vita mia, e l'hanno messa nella fossa; Ed hanno gettate delle pietre sopra me.
54Het water stroomde over mijn hoofd, Ik dacht: Nu ben ik verloren!
54Le acque mi hanno inondato fin sopra il capo; Io ho detto: Io son riciso.
55Toen riep ik uw Naam aan, o Jahweh, Uit het diepst van de put!
55Io ho invocato il tuo Nome, o Signore, Dalla fossa de' luoghi bassissimi.
56Gij hebt mijn smeken gehoord, uw oor niet gesloten Voor mijn zuchten en schreien;
56Tu hai udita la mia voce; Non nascondere il tuo orecchio al mio sospiro, ed al mio grido.
57Gij zijt gekomen, toen ik U riep, En hebt gesproken: Wees niet bang!
57Tu ti sei accostato al giorno che io ti ho invocato; Tu hai detto: Non temere.
58Heer, Gij naamt het voor mij op, En hebt mijn leven gered!
58O Signore, tu hai dibattute le querele dell'anima mia; Tu hai riscossa la vita mia.
59Jahweh, Gij hebt mijn verdrukking gezien, Mij recht verschaft;
59O Signore, tu vedi il torto che mi è fatto; Giudica la mia causa.
60Gij hebt hun wraakzucht aanschouwd, Al hun plannen tegen mij.
60Tu vedi tutte le lor vendette, Tutti i lor pensieri contro a me.
61Jahweh, Gij hebt hun spotten gehoord, Al hun plannen tegen mij.
61Tu odi, Signore, i loro obbrobri, Tutte le lor macchinazioni contro a me;
62Mijn vijand heeft lippen zowel als gedachten Altijd tegen mij gericht.
62Le parole di quelli che mi si levano incontro, Ed i ragionamenti che tengono contro a me tuttodì.
63Zie toe; want of ze zitten of staan, Een spotlied ben ik voor hen!
63Riguarda, quando si seggono, e quando si levano; Io sono la lor canzone.
64Jahweh, vergeld ze hun daden, Het werk hunner handen!
64O Signore, rendi loro la retribuzione, Secondo le opere delle lor mani.
65Sla hun hart met verblinding, Henzelf met uw vloek;
65Da' loro ingombramento di cuore, La tua maledizione.
66Vervolg en verniel ze in gramschap Onder uw hemel, o Jahweh!
66Perseguili in ira, E disperdili di sotto al cielo del Signore.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.