Klaagliederen
Chapter 5

Klaagliederen

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Gedenk toch, Jahweh, wat wij verduren, Zie toe, en aanschouw onze smaad:
1RICORDATI, Signore, di quello che ci è avvenuto; Riguarda, e vedi li nostro vituperio.
2Ons erfdeel is aan anderen vervallen, Onze huizen aan vreemden.
2La nostra eredità è stata trasportata agli stranieri, E le nostre case a' forestieri.
3Wezen zijn wij, vaderloos, Als weduwen zijn onze moeders;
3Noi siam divenuti orfani, senza padre; E le nostre madri come donne vedove.
4Ons water drinken wij voor geld, Wij moeten ons eigen hout betalen.
4Noi abbiam bevuta la nostra acqua per danari, Le nostre legne ci sono state vendute a prezzo.
5Voortgezweept, met het juk om de hals, Uitgeput, maar men gunt ons geen rust!
5Noi abbiam sofferta persecuzione sopra il nostro collo; Noi ci siamo affannati, e non abbiamo avuto alcun riposo.
6Naar Egypte steken wij de handen uit, Naar Assjoer om brood!
6Noi abbiam porta la mano agli Egizi, Ed agli Assiri, per saziarci di pane.
7Onze vaderen hebben gezondigd: zij zijn niet meer, Wij dragen hun schuld:
7I nostri padri hanno peccato, e non sono più ; Noi abbiam portate le loro iniquità.
8Slaven zijn onze heersers, En niemand, die ons uit hun handen verlost.
8De' servi ci hanno signoreggiati; Non vi è stato alcuno che ci abbia riscossi di man loro.
9Met gevaar voor ons leven halen wij brood, Voor het dreigende zwaard der woestijn;
9Noi abbiamo addotta la nostra vittuaglia A rischio della nostra vita, per la spada del deserto.
10Onze huid is heet als een oven, Door de koorts van de honger.
10La nostra pelle è divenuta bruna come un forno, Per l'arsure della fame.
11De vrouwen worden in Sion onteerd, De maagden in de steden van Juda;
11Le donne sono state sforzate in Sion, E le vergini nelle città di Giuda.
12Vorsten door hen opgehangen, Geen oudsten gespaard.
12I principi sono stati impiccati per man di coloro; Non si è avuta riverenza alle facce de' vecchi.
13De jongens moeten de molensteen torsen, De knapen bezwijken onder het hout;
13I giovani hanno portata la macinatura, E i fanciulli son caduti per le legne.
14Geen grijsaards meer in de poorten, Geen jonge mannen meer met hun lier.
14I vecchi hanno abbandonato le porte, E i giovani i loro suoni.
15Geen blijdschap meer voor ons hart, Onze reidans veranderd in rouw,
15La gioia del nostro cuore è cessata, I nostri balli sono stati cangiati in duolo.
16Gevallen de kroon van ons hoofd: Wee onzer, wij hebben gezondigd!
16La corona del nostro capo è caduta; Guai ora a noi! perciocchè abbiam peccato.
17Hierom is ons hart verslagen, Staan onze ogen zo dof:
17Per questo il cuor nostro è languido; Per queste cose gli occhi nostri sono scurati.
18Om de Sionsberg, die ligt verlaten, Waar enkel jakhalzen lopen.
18Egli è perchè il monte di Sion è deserto, Sì che le volpi vi passeggiano.
19Maar Gij zetelt in eeuwigheid, Jahweh; Uw troon van geslacht tot geslacht!
19Tu, Signore, dimori in eterno; Il tuo trono è stabile per ogni età.
20Waarom zoudt Gij ons dan altijd vergeten, Ten einde toe ons verlaten?
20Perchè ci dimenticheresti in perpetuo? Perchè ci abbandoneresti per lungo tempo?
21Ach Jahweh, breng ons tot U terug: wij willen bekeren; Maak onze dagen weer als voorheen!
21O Signore, convertici a te, e noi sarem convertiti: Rinnova i nostri giorni, come erano anticamente.
22Neen, Gij hebt ons niet voor immer verworpen, Gij blijft op ons niet zo hevig verbolgen!
22Perciocchè, ci hai tu del tutto riprovati? Sei tu adirato contro a noi fino all'estremo?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.