Genesis
Chapter 22
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. Hij sprak tot hem: Abraham! Deze antwoordde: Hier ben ik.
1І було по сих речах, що Бог спокушував Авраама, і рече йому: Аврааме, Аврааме! І каже: Ось я!
2Hij sprak: Neem Isaäk, uw enigen zoon, dien ge liefhebt, ga naar het land van de Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen, die Ik u aanwijs.
2І рече: Возьми сина твого, єдиного твого, що його возлюбив єси, Ізаака, та йди в Морія землю, та й принеси його там у всепаленнє-жертву на одній горі, що тобі речу.
3De volgende morgen zadelde Abraham zijn ezel, ontbood twee van zijn knechten en zijn zoon Isaäk, en kloofde brandhout voor het offer. Toen trok hij op, en ging naar de plaats, die God hem genoemd had.
3І встав Авраам рано вранцї та й осїдлав осла свого, та взяв два парубки з собою, та Ізаака сина свого, та наколов дров на всепаленнє, та й рушив до врочища, що про його рече йому Бог.
4De derde dag sloeg Abraham zijn ogen op, en zag de plaats in de verte.
4На третїй же день позирнув Авраам очима своїми, та й побачив те врочище здалеку.
5Nu sprak Abraham tot zijn knechten: Blijft hier met den ezel; ik en de jongen gaan daarheen, om te aanbidden; daarna keren we tot u terug.
5І каже Авраам слугам своїм: Седїте тутеньки з ослом, я ж із сином пійдемо аж он туди, та поклонившись і вернемось до вас.
6Daarop nam Abraham het hout voor het offer, en gaf het zijn zoon Isaäk te dragen; zelf droeg hij het vuur en het mes. Zo gingen ze samen op weg.
6Узяв же Авраам дрова на всепаленнє, та й положив на Ізаака, сина свого; взяв же в руки й огонь і жертівного ножа, та й пійшли обидва вкупі.
7Maar Isaäk zei tot zijn vader Abraham: Vader! Hij antwoordde: Wat is er, mijn jongen? Hij zeide: Zie, we hebben wel vuur en offerhout, maar waar is het schaap voor het offer?
7Каже ж Ізаак до Авраама, батька свого: Панотче! Він же каже: Що тобі, синку? Каже ж: Ось огонь і дрова, а де ж овеча на всепаленнє?
8Abraham antwoordde: God zelf zal wel voor het offerschaap zorgen, mijn kind. En samen gingen ze verder.
8Каже ж Авраам: Бог обмислить собі ягня на всепаленнє. І йшли собі обоє вкупі.
9Toen zij aan de plaats waren gekomen, die God hem genoemd had, bouwde Abraham daar een altaar, en stapelde het hout op. Dan bond hij zijn zoon Isaäk, en legde hem op het altaar boven op het hout.
9Прийшли на врочище, що рече йому Бог, і зробив там Авраам жертівника, і розложив дрова, і звязавши Ізаака, сина свого, положив його на жертівнику зверху на дровах.
10En Abraham strekte zijn hand uit, om het mes te grijpen, en zijn zoon te doden.
10І простїг Авраам руку свою, щоб узяти ножа заколоти сина свого.
11Daar riep de engel van Jahweh uit de hemel hem toe, en sprak: Abraham, Abraham! Hij zeide: Hier ben ik.
11Аж озветься до його ангел Господень і рече: Аврааме, Аврааме! Він же каже: Ось я.
12Hij sprak: Sla uw hand niet aan den knaap, en doe hem geen kwaad. Want nu weet Ik, dat gij God vreest; want ge hebt Mij uw enigen zoon niet willen onthouden.
12І рече: Не возложи руки твоєї на хлопя, а нїчогісїнько не чини йому; тепер бо взнав я, що боїшся ти Бога, і не пощадив єси сина твого возлюбленого мене ради.
13Nu sloeg Abraham zijn ogen op, en zag een ram, die met zijn horens in het struikgewas zat verward; Abraham greep den ram, en droeg hem als brandoffer op, in plaats van zijn zoon.
13І позирнувши Авраам очима своїми побачив, що баран із заду завяз рогами в гущинї. І пійшов Авраам і взяв барана і принїс його на всеспаленнє замість Ізаака сина свого.
14Abraham gaf die plaats de naam: “Jahweh draagt zorg”, daarom wordt ook nu nog gezegd: “op de berg van Jahweh wordt zorg gedragen”.
14І приложив Авраам прізвище врочищу тому Єгова-Уре, Господь бачить, як і по сей день говорять: На горі Господа побачять.
15Voor de tweede maal riep de engel van Jahweh Abraham uit de hemel toe,
15І озветься ангел Господень до Авраама вдруге з небес,
16en sprak: Ik zweer bij Mijzelf, Luidt de godsspraak van Jahweh! Omdat ge dit hebt gedaan, En uw enigen zoon niet gespaard hebt:
16Глаголючи: Мною самим клявсь я — се Господнє слово — за те, що вчинив єси таку річ, і не пощадив єси сина свого возлюбленого мене ради.
17Daarom zal Ik u zegenen, En uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, En als het zand aan het strand van de zee; Uw kroost zal de poorten van zijn vijanden bezitten.
17Велико благословлю тебе, і намножу твій рід як зорі небесні, і як пісок узкрай моря, і внаслїдує потомство твоє царини ворогів своїх.
18In uw zaad zullen alle volken der aarde worden gezegend, Omdat gij naar mijn stem hebt gehoord.
18І благословляться в потомстві твойму всї народи землї, тим що послухав єси голосу мого.
19Toen keerde Abraham terug naar zijn knechten; zij trokken op, en gingen naar Beër-Sjéba terug. Abraham bleef te Beër-Sjéba wonen.
19Вернувся ж Авраам до слуг своїх і рушили вони й пійшли вкупі до Бейер-Себи, і вселивсь Авраам коло колодязя клятьби.
20Enige tijd later berichtte men Abraham: Ook Milka heeft uw broer Nachor zonen geschonken.
20Сталося ж по сїх речах, що зъясовано Абраамові словами: Ось і Милка і вона вродила сини братові твойму Нахорові,
21Het waren Oes zijn eerstgeborene, en Boez zijn broer; verder Kemoeël, de vader van Aram,
21Уза, перворідня його, та Буса, брата його, та Кемуїла, отця Арамова,
22en Késed, Chazo, Pildasj, Jidlaf en Betoeël.
22Та Хеседа, та Газа, та Пидаса, та Ідлафа, та Батуїла.
23Deze Betoeël verwekte Rebekka. Deze acht baarde Milka aan Nachor, den broer van Abraham.
23Батуїл же появив Ребеку. Сих восьмерох уродила Милка Нахорові, братові Авраамовому.
24En zijn bijvrouw, die Reoema heette, baarde Tébach en Gácham, Táchasj en Maäka.
24І наложниця його, на імя Реюма, ся вродила Тебаха та Гахама та Тегаса та Маяха.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.