Genesis 20
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Abraham trok vandaar de Négeb in, en vestigde zich tussen Kadesj en Sjoer. Zolang Abraham in Gerar verbleef,
1І відкочував Авраам ізвідти до землї полуденньої, та й оселивсь між Кадесом і Суром, і якийсь час пробував у Герарі.
2vertelde hij van zijn vrouw Sara, dat ze zijn zuster was; zo liet Abimélek, de koning van Gerar, Sara schaken.
2Про жінку ж свою Сарру казав Авраам, що сестра вона менї. Абимелех же, царь Герарський, післав та й взяв Сарру.
3Maar God verscheen Abimélek des nachts in een droom, en sprak tot hem: Zie, ge zult sterven, omdat ge die vrouw hebt geschaakt; want ze is al gehuwd.
3І прийшов Бог до Абимелеха в ночі вві снї, і рече йому: Оце ти вмреш за сю молодицю, що взяв єси; вона ж мужня жена.
4Abimélek, die haar nog niet was genaderd, sprak: Heer, zoudt Gij dan een rechtschapen man willen doden?
4Абимелех же не приторкнувсь до її, та й каже: Господе, чи то ж погубиш безвинний рід?
5Heeft hij mij niet gezegd: Het is mijn zuster; en heeft ook zij zelf niet gezegd: Het is mijn broer? Met onschuldig hart en reine handen heb ik dit gedaan.
5Хиба ж не сам він казав менї: Вона сестра менї? І вона менї казала: Він брат менї. У чистотї серця мого і в безвинностї рук моїх учинив я се.
6En God sprak tot hem in de droom: Omdat Ik wist, dat gij dit met onschuldig hart hebt gedaan, heb Ik er u voor bewaard, tegen Mij te zondigen, en u daarom belet, haar aan te raken.
6Рече ж йому Бог у снї: І я знаю, що в чистотї серця твого і в безвинностї рук твоїх учинив єси се, тим і впинив тебе від гріха проти мене, і не попустив тебе коснутись її.
7Geef nu de vrouw van dien man terug; want hij is een profeet. Hij zal voor u bidden, en ge zult blijven leven; maar als ge haar niet terugzendt, weet dan, dat ge zeker zult sterven, gij en al de uwen:
7Тепер же оддай жену мужу, бо він пророк, і помолиться за тебе, і жити меш. Як же не віддаси, дак знай, що вмреш сам і все твоє.
8De volgende morgen riep Abimélek al zijn dienaren bijeen, en deelde hun de hele toedracht mee; zijn mannen schrokken er geweldig van.
8І встав рано вранцї Абимелех і призвав усї кметї свої, та й промовив усї словеса сїї в уші їх, і полякались усї люде вельми.
9Nu liet Abimélek Abraham roepen, en zei hem: Wat hebt ge ons aangedaan? Wat heb ik tegen u misdreven, dat gij op mij en op mijn koninkrijk zo’n zware schuld hebt geladen. Ge hebt met mij iets gedaan, wat nog nooit is voorgekomen.
9І призвав Абимелех Авраама, та й промовив до його: Що вдїяв єси менї? І чим провинив я тобі, що навів єси на мене й царство моє гріх великий? Дїло таке, що нїхто не чинив, укоїв єси менї:
10En Abimélek vervolgde tot Abraham: Wat was eigenlijk uw bedoeling, toen ge dat deedt?
10І промовив Абимелех до Авраама: Що в тебе було на думцї, як чинив єси таке?
11Abraham antwoordde: Ik dacht, er mocht eens in deze stad volstrekt geen vrees voor God worden gevonden; dan zou men er mij om mijn vrouw vermoorden.
11Рече ж Авраам: Думав бо, що нема благочестя на місцї сьому, і вбють мене задля жени моєї.
12Trouwens ze is ook werkelijk mijn zuster: de dochter van mijn vader, maar niet van mijn moeder; zo is ze mijn vrouw geworden.
12Отже справдї вона сестра менї по панотцеві, а не по панїматцї, та стала менї женою.
13En toen God mijn rondzwervingen ver van mijn vaderlijk huis liet beginnen, zei ik tot haar: Ge moet me deze liefdedienst bewijzen: overal waar we komen, moet ge van mij vertellen: hij is mijn broer.
13І було, як вивів мене Бог із отецької домівки моєї, кажу їй: Ось яку правду чинити меш менї: у всякому містї, куди прийдемо, там кажи про мене, що се брат мій.
14Toen liet Abimélek schapen en runderen, slaven en slavinnen halen, gaf ze Abraham ten geschenke, en zond hem ook zijn vrouw Sara terug.
14Узав же Абимелех вівцї і бички, і раби й рабинї, та й дав Авраамові, і віддав йому Сарру.
15Abimélek sprak bovendien: Zie, mijn land ligt voor u open; ga wonen, waar het u bevalt.
15І промовив Абимелех Авраамові: Оце земля моя перед тобою; де б тобі нї було до вподоби, оселяйся.
16En tot Sara zeide hij: Ziehier, ik geef duizend zilverstukken aan uw broer; dat zal in de ogen van al de uwen een vergoeding voor u zijn; en dan hebt ge in alles voldoening gekregen.
16До Сарри ж промовив: Оце дав я братові твойму тисячу срібняків, се буде тобі чесна намітка до лиця твого, і про все, що було з тобою і з усїма твоїми, в усьому будеш оправдана.
17Nu bad Abraham tot God; en God genas Abimélek, zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij kinderen konden krijgen.
17Помолився ж Авраам Богу, і вигоїв Бог Абимелеха, і жену його, і рабинї його, і почали роджати.
18Want Jahweh had iedere schoot van Abiméleks huis gesloten om Sara, de vrouw van Abraham.
18Бо позамикав був Господь усяку утробу в домівцї в Абимелеха задля Сарри, жінки Авраамової.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.