Genesis 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Na deze gebeurtenissen werd in een gezicht het woord van Jahweh gericht tot Abram: Vrees niet Abram: Ik ben u tot schild; Overgroot zal uw loon zijn!
1Після того, як се сталось, було слово Господнє до Аврама у видїнню: Не бійсь, Авраме; я тобі щит, нагорода твоя велика буде вельми.
2Toen zei Abram: Jahweh, mijn Heer, wat kunt Gij me geven? Kinderloos ga ik heen, en Eliézer uit Damascus zal de bezitter zijn van mijn huis.
2Рече ж Аврам: Владико Господе, що менї даси? одпускаюсь я бездїтен, а наслїдник моєї худоби сей Дамашчанець Елиєзер.
3En Abram ging voort: Zie, Gij hebt mij geen nazaat gegeven, en een mijner onderhorigen zal mijn erfgenaam zijn.
3І рече Аврам: Не дав єси менї потомства, дак раб моєї господи наслїдник мій буде.
4Weer werd het woord van Jahweh tot hem gericht: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw eigen lichaam wordt geboren, zal uw erfgenaam zijn.
4І знов слово Господнє було до його і глаголе: Не буде він твоїм наслїдником, а той хто вийде з тебе, той буде наслїдник тобі.
5Hij voerde hem naar buiten, en sprak: Zie op naar de hemel en tel de sterren, als ge dat kunt: zó talrijk zal uw nageslacht zijn, zeide Hij hem.
5І вивів його з намета і рече: Позирни на небо та злїчи зорі, коли зможеш злїчити їх. І рече: Такі будуть потомки твої.
6Hij geloofde in Jahweh, en Deze rekende het hem tot gerechtigheid aan.
6І поняв Аврам віри Господеві, і він полїчив йому те за праведність.
7Daarop sprak Hij tot hem: Ik ben Jahweh, die u uit Oer der Chaldeën heb geleid, om u dit land in eigendom te geven.
7Рече ж до його: Я Господь, що вивів тебе із Ура Халдейського, щоб оддати тобі землю сю в наслїддє, наслїдствовати.
8Hij antwoordde: Jahweh, mijn Heer, waaraan zal ik erkennen, dat ik het eens zal bezitten?
8І рече: Владико Господе, почому знати му, що наслїдити му її?
9Hij zeide: Breng Mij een driejarige koe en een driejarigen bok en een driejarigen ram, met een tortel en een jonge duif.
9Рече ж до його: Возьми менї телицю трилїтню, та козу трилїтню, та барана трохлїтка, та горлицю, та голубеня.
10Hij haalde die alle, sneed ze middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; maar de vogels sneed hij niet door.
10Узяв же він усе те та й порозтинав пополам, і положив їх противолично одну частину до другої, а птиць не розтинав.
11En toen de roofvogels neerstreken op de dode rompen, joeg Abram ze weg.
11Злетїлося ж птаство на труп розтятий; Аврам же зганяв його.
12Bij het ondergaan der zon werd Abram door een diepe slaap overvallen, en een sombere, geweldige angst greep hem aan.
12А як заходило соньце твердий сон обняв Аврама, і страх у темряві великий напав на його.
13Toen sprak Hij tot Abram: Weet wel, dat uw nakomelingen als vreemden in een land zullen toeven, dat hun niet toebehoort. Zij zullen daar als slaven dienen, en men zal hen vierhonderd jaar lang verdrukken.
13І речено було до Аврама: Знаючи знай, що переселятись буде потомство в землю не свою, і підневолять його, і тїснити муть його чотири ста лїт.
14Maar van het volk, dat zij als slaven dienen, zal Ik rekenschap eisen; en daarna zullen zij uittrekken met rijke buit.
14Народові ж тому, що йому будуть підневолені, дам присуд я, а потім ізийдуть геть із майном великим.
15Gij zelf zult in vrede tot uw vaderen gaan, en in hoge ouderdom worden begraven.
15Ти ж одідеш до отцїв твоїх з упокоєм, і поховають тебе в старощах добрих.
16Eerst het vierde geslacht zal hier terugkeren; want eerder is de maat van de misdaden der Amorieten niet vol.
16У четвертому ж родї вернуться сюди; не сповнились бо гріхи Аморіїв і досї.
17En toen de zon was ondergegaan, en er een diepe duisternis heerste, verscheen er een rokende oven en een brandende fakkel; deze gingen tussen die stukken door.
17Як же було соньце на западї та згусла темрява тодї, наче піч задимувала, і поломя огняне пройшло між розтятими частинами.
18Op die dag sloot Jahweh met Abram het volgend verbond: Aan uw nakomelingschap geef Ik dit land in bezit van de beek van Egypte af tot aan de grote rivier de Eufraat;
18У той день завітував Господь з Аврамом завіт, глаголючи: Потомству твойму дам землю сю від ріки Египецької до ріки великої, ріки Евфрата:
19met de Kenieten, Kenizzieten en Kadmonieten,
19Кеніїв, і Кенесіїв, і Кедмоніїв,
20de Chittieten, Perizzieten en Refaieten,
20І Хетіїв, і Ферезіїв, і Рефаїв,
21de Amorieten, Kanaänieten, Girgasjieten en Jeboesieten.
21І Аморіїв, і Кананеїв, і Гергесіїв, і Ебусеїв
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.