Genesis
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Na deze gebeurtenissen werd in een gezicht het woord van Jahweh gericht tot Abram: Vrees niet Abram: Ik ben u tot schild; Overgroot zal uw loon zijn!
1これらのことの後、幻の中で主の言葉がアブラムに臨んだ。「恐れるな、アブラム。わたしはあなたの盾。あなたの受ける報いは非常に大きい。」
2Toen zei Abram: Jahweh, mijn Heer, wat kunt Gij me geven? Kinderloos ga ik heen, en Eliézer uit Damascus zal de bezitter zijn van mijn huis.
2アブラムは言った。「主なる神よ、私に何をくださるというのですか。私には子どもがなく、私の家を継ぐ者はダマスコのエリエゼルです。」
3En Abram ging voort: Zie, Gij hebt mij geen nazaat gegeven, en een mijner onderhorigen zal mijn erfgenaam zijn.
3アブラムは言った。「見よ、あなたは私に子どもを与えてくださいませんでした。見よ、私の家で生まれた者が私の跡継ぎとなるのです。」
4Weer werd het woord van Jahweh tot hem gericht: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw eigen lichaam wordt geboren, zal uw erfgenaam zijn.
4見よ、主の言葉が彼に臨んだ。「その男はあなたの跡継ぎとはならない。あなた自身から生まれ出る者が、あなたの跡継ぎとなる。」
5Hij voerde hem naar buiten, en sprak: Zie op naar de hemel en tel de sterren, als ge dat kunt: zó talrijk zal uw nageslacht zijn, zeide Hij hem.
5主は彼を外に連れ出して言われた。「さあ、天を仰いで、星を数えなさい。もし数えることができるなら。」そして彼に言われた。「あなたの子孫もそのようになる。」
6Hij geloofde in Jahweh, en Deze rekende het hem tot gerechtigheid aan.
6アブラムは主を信じた。主はそれを彼に義と認められた。
7Daarop sprak Hij tot hem: Ik ben Jahweh, die u uit Oer der Chaldeën heb geleid, om u dit land in eigendom te geven.
7また彼に言われた。「わたしは、この地をあなたに与えて受け継がせるため、あなたをカルデアのウルから導き出した主である。」
8Hij antwoordde: Jahweh, mijn Heer, waaraan zal ik erkennen, dat ik het eens zal bezitten?
8アブラムは言った。「主なる神よ、私がそれを受け継ぐことを、どのようにして知ることができるでしょうか。」
9Hij zeide: Breng Mij een driejarige koe en een driejarigen bok en een driejarigen ram, met een tortel en een jonge duif.
9主は彼に言われた。「三歳の雌牛、三歳の雌山羊、三歳の雄羊、山鳩、そして家鳩のひなを、わたしのところに持って来なさい。」
10Hij haalde die alle, sneed ze middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; maar de vogels sneed hij niet door.
10彼はこれらすべてを持って来て、真ん中から二つに切り裂き、それぞれの半分を互いに向かい合わせて置いた。しかし、鳥は切り裂かなかった。
11En toen de roofvogels neerstreken op de dode rompen, joeg Abram ze weg.
11猛禽が死肉の上に降りて来たが、アブラムはそれらを追い払った。
12Bij het ondergaan der zon werd Abram door een diepe slaap overvallen, en een sombere, geweldige angst greep hem aan.
12日が沈みかけたころ、深い眠りがアブラムに下った。すると見よ、恐怖と大きな闇が彼を襲った。
13Toen sprak Hij tot Abram: Weet wel, dat uw nakomelingen als vreemden in een land zullen toeven, dat hun niet toebehoort. Zij zullen daar als slaven dienen, en men zal hen vierhonderd jaar lang verdrukken.
13主はアブラムに言われた。「あなたは、このことを確かに知っておきなさい。あなたの子孫は、自分たちのものではない国で寄留者となり、その国の人々に仕える。彼らは四百年の間、あなたの子孫を苦しめる。
14Maar van het volk, dat zij als slaven dienen, zal Ik rekenschap eisen; en daarna zullen zij uittrekken met rijke buit.
14しかし、彼らが仕えるその民族を、わたしは裁く。その後、彼らは大きな財産を持って出て来る。
15Gij zelf zult in vrede tot uw vaderen gaan, en in hoge ouderdom worden begraven.
15あなた自身は、平安のうちにあなたの先祖のところへ行き、長寿を全うして葬られる。
16Eerst het vierde geslacht zal hier terugkeren; want eerder is de maat van de misdaden der Amorieten niet vol.
16そして四代目に、彼らはここに戻って来る。アモリ人の罪がまだ満ちていないからである。」
17En toen de zon was ondergegaan, en er een diepe duisternis heerste, verscheen er een rokende oven en een brandende fakkel; deze gingen tussen die stukken door.
17日が沈んで暗くなったとき、見よ、煙を吐く炉と燃えるたいまつが、これらの切り裂かれた動物の間を通り過ぎた。
18Op die dag sloot Jahweh met Abram het volgend verbond: Aan uw nakomelingschap geef Ik dit land in bezit van de beek van Egypte af tot aan de grote rivier de Eufraat;
18その日、主はアブラムと契約を結んで言われた。「わたしはあなたの子孫に、エジプトの川からあの大河、ユーフラテス川までのこの地を与えた。
19met de Kenieten, Kenizzieten en Kadmonieten,
19すなわち、ケニ人、ケナズ人、カデモニ人、
20de Chittieten, Perizzieten en Refaieten,
20ヘト人、ペリジ人、レファイム人、
21de Amorieten, Kanaänieten, Girgasjieten en Jeboesieten.
21アモリ人、カナン人、ギルガシ人、そしてエブス人の地である。」

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.