Genesis 37
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Jakob bleef in het land Kanaän wonen, waar ook zijn vader had vertoefd.
1ヤコブは、父が寄留していた地、カナンの地に住んだ。
2En dit is de familiegeschiedenis van Jakob: Toen Josef zeventien jaar oud en dus nog een knaap was, en hij met zijn broers, met de zonen van Bilha en de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de kudde weidde, bracht hij de kwade geruchten, die over hen liepen, aan hun vader over.
2これはヤコブの記録である。 ヨセフは十七歳のとき、兄弟たちと一緒に群れを飼っていた。まだ若く、父の妻ビルハの息子たち、ジルパの息子たちと共に働いていた。ヨセフは彼らの悪い評判を父に伝えた。
3Ook hield Israël meer van Josef dan van zijn andere zonen, omdat hij hem nog op zijn oude dag geboren was; daarom liet hij hem een kleurig gewaad maken.
3イスラエルは自分のどの子よりもヨセフを愛していた。彼が年老いてから生まれた息子だったからである。イスラエルは彼のために、色とりどりの長服を作った。
4Toen zijn broeders dus bemerkten, dat hun vader hem meer beminde dan al zijn broers, begonnen zij hem te haten, en gunden hem geen vriendelijk woord meer.
4兄弟たちは、父がどの兄弟よりもヨセフを愛しているのを見て、彼を憎み、親しく口をきくこともできなかった。
5Bovendien had Josef eens een droom, die hij aan zijn broers vertelde, met het gevolg, dat zij hem nog meer gingen haten.
5ヨセフは夢を見て、それを兄弟たちに告げたので、彼らはさらに彼を憎んだ。
6Hij sprak tot hen: Luistert eens naar de droom, die ik heb gehad.
6彼は彼らに言った。「どうか、私が見たこの夢を聞いてください。
7Ziet, wij waren op het veld aan het schoven binden, toen mijn schoof overeind rees en recht bleef staan, terwijl uw schoven zich er omheen plaatsten, en voor de mijne begonnen te buigen.
7見よ、私たちが畑の中で束を束ねていました。すると見よ、私の束が起き上がり、まっすぐに立ちました。そして見よ、あなたがたの束が周りに来て、私の束に向かってお辞儀をしたのです。」
8Maar zijn broers zeiden tot hem: Wilt ge soms koning over ons worden, of over ons heersen? En ze haatten hem nog meer om die droom, die hij had verhaald.
8兄弟たちは彼に言った。「お前が本当に私たちの王となるというのか。お前が本当に私たちを支配するというのか。」彼らは、彼の夢と彼の言葉のゆえに、さらに彼を憎んだ。
9Later had hij nog een andere droom, die hij eveneens aan zijn broers vertelde. Hij sprak: Ik heb een nieuwe droom gehad. Zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.
9彼はまた別の夢を見て、それを兄弟たちに告げた。「見よ、私はまた別の夢を見ました。見よ、太陽と月と十一の星が、私に向かってお辞儀をしたのです。」
10Maar toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, berispte hem zijn vader en zei: Wat moet dat met die droom, die ge gehad hebt; moeten ik, uw moeder en broers ons soms voor u ter aarde komen buigen?
10彼はそれを父と兄弟たちに告げた。父は彼を叱って言った。「お前が見たこの夢は何のことだ。私とお前の母と兄弟たちが、本当に進み出て、お前に向かって地にお辞儀をするというのか。」
11Maar terwijl zijn broers nijdig op hem bleven, prentte zijn vader dat verhaal in zijn geheugen.
11兄弟たちは彼をねたんだが、父はこの言葉を心に留めていた。
12Nu gebeurde het eens, dat zijn broers naar Sikem waren gegaan, om de kudden van hun vader te weiden.
12彼の兄弟たちは、シェケムで父の群れを飼うために出かけて行った。
13Toen sprak Israël tot Josef: De broers zijn in Sikem de kudden aan het weiden; ik wilde u er wel eens heen zenden. Hij antwoordde: Heel goed!
13イスラエルはヨセフに言った。「お前の兄弟たちはシェケムで群れを飼っているではないか。さあ、お前を彼らのところへ遣わそう。」 彼は答えた。「はい、ここにいます。」
14Hij hernam: Ga dan eens zien, of alles in orde is met uw broers en ook met het vee, en kom het mij dan vertellen. Zo zond hij hem uit de vallei van Hebron op pad. Toen hij bij Sikem was gekomen,
14父は彼に言った。「行って、兄弟たちと群れが無事か見て来なさい。そして私に報告してくれ。」こうして父は彼をヘブロンの谷から送り出し、彼はシェケムに着いた。
15en daar in de velden ronddoolde, ontmoette hem iemand, die hem vroeg, wat hij zocht.
15ある人が彼を見つけた。見よ、彼は野をさまよっていた。その人は彼に尋ねた。「あなたは何を探しているのですか。」
16Hij antwoordde: Ik ben op zoek naar mijn broers; kunt ge me zeggen, waar zij hun kudde weiden?
16彼は言った。「私は兄弟たちを探しています。彼らがどこで群れを飼っているか、どうか教えてください。」
17De man gaf ten antwoord: Zij zijn van hier weg; want ik heb ze horen zeggen, dat ze naar Dotan wilden gaan. Josef ging dus zijn broers achterna, en trof hen in Dotan.
17その人は言った。「彼らはここを去りました。『ドタンへ行こう』と彼らが言うのを聞いたからです。」 ヨセフは兄弟たちの後を追い、ドタンで彼らを見つけた。
18Zij zagen hem al uit de verte. En eer hij hen nog had bereikt, hadden ze al het plan beraamd, hem te doden.
18兄弟たちは遠くからヨセフを見た。彼が近づいて来る前に、彼らは彼を殺そうと企んだ。
19Ze zeiden tot elkander: Zie, daar komt de dromer aan!
19彼らは互いに言った。「見よ、あの夢見る者がやって来る。
20Vooruit nu, laten we hem vermoorden, in een van de putten gooien, en zeggen, dat een wild beest hem heeft verslonden; dan zullen we eens zien, wat er van zijn dromen terecht komt.
20さあ、彼を殺して、あの穴の一つに投げ込もう。そして、『野獣が彼を食い殺した』と言おう。彼の夢がどうなるか、見てやろう。」
21Toen Ruben dit hoorde, wilde hij hem uit hun handen redden. Daarom zei hij: We moeten hem niet om het leven brengen.
21ルベンはこれを聞いて、彼を彼らの手から救い出そうとして言った。「彼の命を奪うのはやめよう。」
22En Ruben vervolgde: Ge moet geen bloed vergieten; werpt hem liever in die put daar, in de woestijn, maar raakt hem niet aan. Zo wilde hij hem aan hun handen onttrekken, om hem naar zijn vader terug te brengen.
22ルベンは彼らに言った。「血を流してはならない。彼をこの荒野にある穴に投げ入れなさい。彼に手を下してはならない。」これは、彼を彼らの手から救い出し、父のところへ返すためであった。
23Toen Josef dan bij zijn broers was gekomen, trokken zij hem het veelkleurig kleed uit, dat hij aanhad,
23ヨセフが兄弟たちのところに来ると、彼らはヨセフの服、彼が着ていた色とりどりの長服を剥ぎ取った。
24grepen hem vast, en wierpen hem in de put. De put was leeg, en er stond geen water in.
24そして彼を捕らえ、穴に投げ込んだ。穴は空で、そこには水がなかった。
25Terwijl ze daarna zaten te eten, keken ze op, en bemerkten een karavaan van Jisjmaëlieten, die van Gilad kwam; hun kamelen waren belast met gom, balsem en hars, en waren op weg naar Egypte.
25彼らが座ってパンを食べていたとき、目を上げて見ると、見よ、イシュマエル人の隊商がギレアデからやって来た。彼らのらくだは香料、乳香、没薬を積んでおり、それをエジプトへ下って運んで行くところであった。
26Nu zei Juda tot zijn broers: Wat hebben we er aan, onzen broer te vermoorden en zijn bloed te bedekken?
26ユダは兄弟たちに言った。「私たちが弟を殺し、その血を隠したところで、何の益があるだろうか。
27Laten we hem liever aan de Jisjmaëlieten verkopen en niet onze handen aan hem slaan; want hij is toch onze broer en ons eigen vlees. Zijn broers stemden er in toe.
27さあ、彼をイシュマエル人に売ろう。彼に手を下すのはやめよう。彼は私たちの兄弟であり、私たちの肉だからだ。」兄弟たちは彼に聞き従った。
28En toen de midjanietische kooplieden voorbijkwamen, trokken zij Josef uit de put omhoog, en verkochten hem voor twintig zilverstukken aan de Jisjmaëlieten, die Josef naar Egypte voerden.
28ミディアン人の商人たちが通りかかると、彼らはヨセフを穴から引き上げ、銀二十枚でイシュマエル人にヨセフを売った。彼らはヨセフをエジプトへ連れて行った。
29Toen Ruben weer naar de put kwam, maar Josef niet meer in de put was, scheurde hij zijn kleren.
29ルベンが穴に戻り、ヨセフが穴の中にいないのを見ると、彼は自分の衣を引き裂いた。
30Hij liep terug naar zijn broers, en riep: De jongen is weg, wat moet ik nu gaan beginnen!
30彼は兄弟たちのところに戻って言った。「あの子がいない。私はどうすればよいのか。」
31Nu namen zij het kleed van Josef, slachtten een geitebokje, en doopten het kleed in het bloed.
31彼らはヨセフの服を取り、雄山羊を屠り、その血に服を浸した。
32Ze stuurden het kleurige kleed naar hun vader, en lieten hem zeggen: Dit hebben we gevonden; zie eens, of dit het kleed van uw zoon is, of niet?
32彼らはその色とりどりの長服を父のところに持って行って言った。「これを見つけました。どうか、これがあなたの息子の服かどうか、確かめてください。」
33Hij herkende het en zei: Het is het kleed van mijn zoon; een wild beest heeft hem verslonden; ach, Josef is in stukken gescheurd!
33父はそれを見分けて言った。「息子の服だ。野獣が彼を食い殺したのだ。ヨセフは確かに引き裂かれてしまった。」
34En Jakob scheurde zijn kleren, deed een zak om zijn lenden, en treurde lange tijd om zijn zoon.
34ヤコブは自分の衣を引き裂き、腰に粗布をまとい、幾日も息子のために悼んだ。
35Al zijn zonen en dochters kwamen hem troosten; maar hij wilde geen troost. Want hij sprak: Treurend daal ik naar mijn zoon in het dodenrijk af. Zo bleef zijn vader om hem wenen.
35彼のすべての息子たちとすべての娘たちが彼を慰めようと立ち上がったが、彼は慰められることを拒んだ。彼は言った。「私は悼みながら、息子のいるシェオルへ下って行くのだ。」こうして父は彼のために泣いた。
36Intussen hadden de Midjanieten Josef in Egypte verkocht aan Potifar, een hoveling van Farao, en overste van de lijfwacht.
36ミディアン人たちはエジプトで、彼をファラオの役人で、護衛の長であるポティファルに売った。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.