Genesis 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1De beide engelen kwamen tegen de avond te Sodoma aan, terwijl Lot juist in de poort van Sodoma was gezeten. Toen Lot hen zag, stond hij op, ging ze tegemoet, boog zich neer met zijn gezicht tegen de grond,
1夕暮れに二人の御使いがソドムに着いた。ロトはソドムの門に座っていた。ロトは彼らを見ると、立ち上がって出迎え、地に顔を伏せて拝し、
2en zeide: Ik bid u, mijne heren; neemt toch uw intrek in het huis van uw dienaar, om daar te overnachten, en uw voeten te wassen; dan kunt ge morgenvroeg uw reis vervolgen. Zij gaven ten antwoord: Neen, we zullen liever op straat overnachten.
2言った。「見よ、ご主人様。どうか、しもべの家に立ち寄って、一晩泊まり、足を洗ってください。そして、朝早く起きて旅を続けてください。」 彼らは言った。「いや、私たちは広場で夜を過ごします。」
3Maar hij nodigde hen zó dringend uit, dat zij naar zijn huis gingen, en hun intrek bij hem namen. Hij richtte een maaltijd voor hen aan, liet ongedesemde broden bakken, en zij aten.
3ロトが強く勧めたので、彼らは彼と共に家に入り、彼の家に来た。彼は彼らのために宴会を催し、種なしパンを焼いた。彼らはそれを食べた。
4Nog hadden ze zich niet ter ruste gelegd, of de mannen van de stad omringden het huis: de mannen van Sodoma, jong en oud, het hele volk tot den laatste toe.
4彼らがまだ寝ないうちに、その町の男たち、ソドムの男たちが、若者から老人まで、町の隅々からやって来て、家を囲んだ。
5Zij riepen tot Lot: Waar zijn de mannen, die vanavond bij u gekomen zijn? Breng ze naar buiten bij ons, opdat wij er omgang mee hebben.
5彼らはロトを呼んで言った。「今夜、お前のところに来た男たちはどこにいるのか。彼らを私たちのところに引き出せ。彼らと関係を持つためだ。」
6Lot ging naar buiten naar hen toe, maar sloot de deur achter zich dicht.
6ロトは戸口にいる彼らのところに出て行き、後ろの戸を閉めて、
7En hij sprak: Broeders, dat kwaad moet ge niet doen.
7言った。「兄弟たち、どうかそんな悪事はしないでくれ。
8Luistert eens: ik heb twee dochters, die nog nooit bij een man zijn geweest; die wil ik naar buiten tot u brengen, en ge kunt met haar doen, wat ge wilt. Maar deze mannen moogt ge niets doen; want zij staan onder de schutse van mijn dak.
8見よ、私にはまだ男を知らない二人の娘がいる。どうか彼女たちをあなたがたのところに引き出させてくれ。好きなようにしてくれてよい。ただ、あの男たちには何もしないでくれ。彼らは私の屋根の陰に入って来たのだから。」
9Zij schreeuwden: Ruk in! Die komt hier als vreemdeling, en wil ons de les lezen. We konden je nog wel eens erger krijgen dan die anderen! Onstuimig drongen ze op tegen den man Lot, en kwamen al dichter en dichter bij, om de deur open te breken.
9彼らは言った。「退け!」さらに言った。「この男は寄留者として来たのに、裁判官になろうとしている。今度は彼らよりもお前をひどい目に遭わせてやる。」彼らはロトというこの男に激しく詰め寄り、戸を壊そうと近づいた。
10Toen staken de mannen hun hand uit, trokken Lot naar zich toe, het huis in, en sloten de deur;
10しかし、あの男たちが手を伸ばしてロトを家の中に引き入れ、戸を閉めた。
11en de mannen, die voor de huisdeur stonden, klein en groot, sloegen zij met verblinding, zodat zij de ingang niet konden vinden.
11彼らは家の戸口にいる男たちの目を、小さい者から大きい者までくらませたので、彼らは戸口を見つけようとして疲れ果てた。
12Nu zeiden de mannen tot Lot: Wie ge nog hier hebt: uw schoonzoon, uw zonen en dochters en al de uwen hier in de stad, breng ze hier vandaan.
12男たちはロトに言った。「ほかにあなたの身内の者がここにいるか。あなたの婿たち、あなたの息子たち、娘たち、またこの町にいるあなたの身内の者をみな、ここから連れ出しなさい。
13Waarachtig, we gaan deze plaats verdelgen, want het wraakgeroep over hen schreit luid bij Jahweh; Jahweh heeft ons gezonden, om haar te vernielen.
13私たちはこの場所を滅ぼそうとしている。彼らに対する叫びが主の御前で大きくなったので、主はここを滅ぼすために私たちを遣わされたからだ。」
14Lot ging naar buiten, om met zijn schoonzoons te spreken, die met zijn dochters waren verloofd; en hij zeide: Staat op, trekt gauw hier vandaan; want Jahweh gaat de stad verdelgen. Doch die schoonzoons dachten, dat hij maar schertste.
14ロトは出て行き、娘たちをめとることになっていた婿たちに言った。「立て。この場所から出よ。主がこの町を滅ぼされる。」 しかし、婿たちには彼が冗談を言っているように見えた。
15Maar toen de dageraad aanbrak, drongen de engelen bij Lot aan, en zeiden: Vlug; neem uw vrouw en uw beide dochters mee, die bij u in huis zijn; anders komt ge nog om bij de bestraffing van de stad.
15朝になったとき、御使いたちはロトを急がせて言った。「立って、ここにいるあなたの妻と二人の娘を連れて行きなさい。さもないと、あなたはこの町の罪のために滅ぼされてしまう。」
16En toen hij nog talmde, namen de mannen hem, zijn vrouw en zijn twee dochters bij de hand, en brachten hem in veiligheid buiten de stad, omdat Jahweh hem wilde sparen.
16しかし彼はためらっていた。主が彼にあわれみをかけられたので、男たちは彼の手と、その妻の手と、二人の娘の手をつかみ、彼らを連れ出して町の外に置いた。
17En toen zij hen buiten hadden gebracht, zeiden zij: Vlucht, want het gaat om uw leven; kijk niet om, blijf nergens in de buurt staan, maar vlucht naar de bergen, als ge niet mee wilt omkomen.
17彼らを外に連れ出したとき、そのうちの一人が言った。「命がけで逃げなさい。後ろを振り返ってはならない。この低地のどこにもとどまってはならない。山へ逃げなさい。さもないと滅ぼされてしまう。」
18Maar Lot zeide tot hen: Och neen, Heer.
18ロトは彼らに言った。「ご主人様、どうかそんなことがありませんように。
19Zie, uw dienaar heeft genade gevonden in uw ogen, en gij hebt me reeds grote barmhartigheid bewezen, door mijn leven te redden; het is mij onmogelijk, het gebergte nog te bereiken, eer het onheil mij achterhaalt, en ik sterf.
19見よ、しもべはあなたのお目にかない、あなたは私の命を救って、大いなる慈しみを示してくださいました。しかし私は山まで逃げきれません。災いに追いつかれ、死んでしまいます。
20Zie, het gindse stadje is genoeg dichtbij, om daarheen te vluchten. Het is toch zo klein. Laat me nu daarheen vluchten, en mijn leven behouden. Ach, het is toch zo klein!
20見よ、あの町なら近く、逃げ込めます。ほんの小さな町です。どうか、そこへ逃げさせてください。小さい町ではありませんか。そうすれば、私は生き延びられます。」
21Hij sprak tot hem: Ook deze bede van u heb ik verhoord; het stadje, dat ge bedoelt, zal ik niet verwoesten.
21彼はロトに言った。「見よ、わたしはこのことでもあなたの願いを聞き入れよう。あなたが語ったその町は滅ぼさない。
22Vlucht er nu haastig heen; want ik kan niets beginnen, eer ge daar zijt aangekomen. Daarom wordt die stad Sóar genoemd.
22急いでそこへ逃げなさい。あなたがそこに着くまでは、わたしは何もできないからだ。」それゆえ、その町の名はツォアルと呼ばれた。
23Toen de zon over de aarde was opgegaan, en Lot te Sóar was aangekomen,
23ロトがツォアルに着いたとき、太陽は地の上に昇っていた。
24liet Jahweh zwavel en vuur van Jahweh uit de hemel regenen over Sodoma en Gomorra.
24そのとき、主は、主のもとから、天からソドムとゴモラの上に硫黄と火を降らせた。
25Hij vernietigde die steden en de hele streek tot de grond toe, met al de bewoners van die steden en al wat op de akkers stond.
25主はこれらの町々、低地のすべて、町々のすべての住民、また地の草木を滅ぼされた。
26De vrouw van Lot, die achter hem aanliep, keek om, en werd in een zoutklomp veranderd.
26しかし、ロトの妻は彼の後ろで振り返ったため、塩の柱になった。
27Vroeg in de morgen begaf Abraham zich naar de plaats, waar hij voor het aanschijn van Jahweh had gestaan.
27アブラハムは朝早く起き、主の前に立っていた場所へ行った。
28Toen hij in de richting van Sodoma en Gomorra en het hele land in de omtrek keek, zag hij een walm van de aarde opstijgen als de rook van een smeltoven.
28彼がソドムとゴモラ、および低地の全土を見下ろすと、見よ、かまどの煙のように、その地の煙が立ち上っていた。
29Zo was God Abraham indachtig, toen Hij de steden van die streek verwoestte, en liet Hij ook Lot aan de verdelging ontkomen, waarmede Hij de steden trof, waarin Lot had gewoond.
29神がその低地の町々を滅ぼされたとき、神はアブラハムを心に留められた。そして、ロトが住んでいた町々を滅ぼされたとき、神はその滅びの中からロトを救い出された。
30Daar Lot niet in Sóar durfde blijven, trok hij uit Sóar weg, ging met zijn twee dochters in het gebergte wonen, en huisde met zijn beide dochters in een grot.
30ロトはツォアルを出て上って行き、二人の娘と一緒に山に住んだ。彼はツォアルに住むのを恐れたからである。彼は二人の娘と一緒に洞穴に住んだ。
31Nu zeide de oudste tot de jongste: Onze vader wordt oud, en er is geen man in het land, om op de gebruikelijke manier gemeenschap met ons te houden.
31姉は妹に言った。「私たちの父は年をとり、この地には、世の習いに従って私たちのところに来てくれる男の人はいません。
32Kom, we moeten onzen vader wijn laten drinken, en bij hem gaan slapen; dan zullen we tenminste van onzen vader kroost verwekken.
32さあ、父にぶどう酒を飲ませて、父と一緒に寝ましょう。そうして父によって子孫を残しましょう。」
33Zij gaven haar vader die avond dan wijn te drinken, en de oudste ging bij haar vader liggen; maar hij was er zich niet van bewust, noch dat ze ging liggen, noch dat ze opstond.
33彼女たちはその夜、父にぶどう酒を飲ませた。そして姉が入り、父と一緒に寝た。父は娘が横になったのも、起き上がったのも知らなかった。
34De volgende morgen zei de oudste tot de jongste: Zie, ik heb vannacht bij vader geslapen; laten wij hem vanavond weer wijn geven, en dan moet gij bij hem slapen; dan zullen we van onzen vader kroost verwekken.
34翌日、姉は妹に言った。「見よ、私は昨夜、父と寝ました。今夜も父にぶどう酒を飲ませましょう。そしてあなたが入って父と寝て、父によって子孫を残しましょう。」
35Ook die avond gaven ze haar vader wijn te drinken, en nu ging de jongste bij hem liggen; maar hij was er zich niet van bewust, noch dat ze ging liggen, noch dat ze opstond.
35彼女たちはその夜も父にぶどう酒を飲ませた。妹が起きて父と一緒に寝た。父は娘が横になったのも、起き上がったのも知らなかった。
36Zo werden de beide dochters van Lot zwanger van haar vader.
36こうしてロトの二人の娘は、父によって身ごもった。
37De oudste baarde een zoon, en noemde hem Moab; hij werd de vader der tegenwoordige Moabieten.
37姉は男の子を産み、その名をモアブと名付けた。彼は今日のモアブ人の父である。
38Ook de jongste baarde een zoon, en noemde hem Ben-Ammi; hij is de vader der tegenwoordige Ammonieten.
38妹も男の子を産み、その名をベン・アミと呼んだ。彼は今日のアンモン人の父である。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.