Genesis 45
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nu kon Josef zich voor al de omstanders niet langer bedwingen. Hij riep, dat allen zouden heengaan, zodat er niemand bij was, toen Josef zich aan zijn broeders bekend maakte.
1І не здолїв більш перемогати себе перед усїма, що стояли навкруги, і закричав: Геть усї від мене! І не зісталось нїкого при Йосифі, як признававсь браттю свойму.
2Hij begon hardop te schreien, zodat de Egyptenaren en het hof van Farao het hoorden.
2І заплакав у голос, і почули Египтяне й уся господа Фараонова.
3Hij zei tot zijn broers: Ik ben Josef! Leeft vader nog? Maar zijn broers waren niet in staat, hem te antwoorden; ze deinsden van schrik voor hem terug.
3І каже Йосиф браттю свойму: Я Йосиф! Чи жив іще панотець мій? І не здолїли брати відказати йому; стрівожились бо перед ним.
4Maar Josef sprak tot zijn broers: Komt toch dichter bij me! En toen zij dit hadden gedaan, herhaalde hij: Ik ben Josef, uw broer, dien ge naar Egypte verkocht hebt.
4Каже ж Йосиф браттю свойму: Приступіте до мене. І приступили. І каже: Я Йосиф, брат ваш, що продали ви в Египет.
5Weest niet bedroefd en boos op uzelf, dat ge mij hierheen hebt verkocht. Neen, God heeft mij voor u uitgezonden, om uw leven te redden.
5Тепер же не сумуйте, і не вдавайтесь у тугу, що продали мене сюди; про те бо, щоб ми були живі, послав мене Бог перед вами.
6Want twee jaren heerst er nu al hongersnood in het land, en nog vijf jaar lang zal men ploegen noch oogsten.
6Се ж бо вже друге лїто голодує земля, а ще пять років осталось, що не буде нї оранки нї жнив.
7God heeft me voor u uitgezonden, om uw geslacht op aarde te behouden en uw eigen leven te redden.
7І послав мене Бог поперед вами переховати вам останок на землї, і ратувати ваші душі великим поратунком.
8Want niet gij hebt mij hierheen gezonden, maar God zelf. Hij heeft mij tot een vader voor Farao gemaakt, tot meester over heel zijn huis en heerser over heel het land van Egypte.
8Оце ж не ви послали мене сюди, а Бог, і зробив мене отцем Фараонові, і паном усього його дому, і зверхником усієї землї Египецької.
9Keert dus terstond terug naar mijn vader, en zegt hem: Zo spreekt uw zoon Josef! “God heeft mij tot heer over heel Egypte verheven; talm dus niet, en kom naar mij toe.
9Ідїте ж хутко до панотця мого, і промовте йому. От що говорить син твій Йосиф: Бог зробив мене паном усього Египту; йди ж до мене, не гайся.
10Gij kunt met uw zonen en kleinzonen, uw schapen en runderen en al wat u toebehoort in het land Gósjen gaan wonen, zodat ge dicht bij me zult zijn.
10І осядешся в Гозен землї, і будеш поблизу в мене, ти й дїти твої, і твоїх дїтей дїти, і вівцї твої, й воли твої, і все твоє.
11Ik zal u met uw huisgezin en heel uw bezit onderhouden, opdat gij niet tot armoede vervalt; want de hongersnood zal nog vijf jaren duren.”
11І харчувати му тебе; ще бо пять год буде голодних на землї, ато дійшов би до злиднїв і ти і дом твій і все твоє.
12Gij ziet het toch met eigen ogen, en mijn broer Benjamin ziet het ook, dat ik in eigen persoon tot u spreek.
12Оце ж очі ваші бачили й очі Беняминові, брата мого, що се уста мої промовляють до вас.
13Vertelt dus mijn vader van al de glorie, die ik in Egypte geniet, en van alles wat gij hebt gezien, en brengt dan mijn vader zo spoedig mogelijk hier.
13Возвістїте панотцеві мойму про всю славу мою в Египтї і про все, що ви бачили, та хутенько приведїте панотця мого сюди.
14Toen omhelsde hij onder tranen zijn broer Benjamin, en ook zijn broer Benjamin schreide bij de omhelzing.
14І впавши на шию Беняминові, братові свойму, плакавсь над ним; і Бенямин плакавсь на шиї в його.
15Dan kuste hij wenend al zijn broers. Toen eerst durfden zijn broers tot hem spreken.
15І цїлуючи все браттє своє, плакавсь над ними, а потім промовляли до його брати його.
16Het gerucht, dat de broers van Josef waren gekomen, drong door tot het paleis van Farao, en Farao en zijn hof waren erover verheugd.
16І пронеслась чутка про се до господи Фараонової: Поприходили браттє Йосифове! І любо се було Фараонові й дворянам його.
17En Farao sprak tot Josef: Zeg aan uw broers, dat ze zó moeten doen! “Zadelt uw dieren en trekt naar het land Kanaän,
17Озветься ж Фараон до Йосифа: Скажи браттю твойму. От що вчинїте: Понавючуйте скотину свою та йдїть у Канаан землю,
18om uw vader en uw gezinnen te halen, en komt naar mij terug. Dan zal ik u het puik van Egypte schenken, en ge zult het beste genieten, wat het land opbrengt.”
18І, взявши батька вашого й родину вашу, прибувайте до мене; дам вам що найлучче в землї Египецькій, і живити метесь плодами землї.
19Ook dit moet ge hun gelasten: “Neemt uit Egypte wagens mee voor uw kleine kinderen en vrouwen; vervoert er ook uw vader mee en komt hierheen.
19Ти ж повели їм узяти колесницї з Египецької землї про дїтей ваших, і жен ваших, і взявши батька вашого прибувайте;
20Ge behoeft geen spijt om uw huisraad te hebben; want het allerbeste, wat Egypte kan bieden, is voor u!”
20І не жалуйте домівок ваших; всї бо Египецькі блага вам будуть.
21Zo deden de zonen van Israël; Josef gaf hun op bevel van Farao wagens, en verschafte hun levensmiddelen voor de reis.
21І вчинили так дїти Ізрайлеві, і дав їм Йосиф колесницї по слову Фараоновому, і дав їм харчі на дорогу.
22Aan ieder van hen schonk hij een stel feestgewaden, maar aan Benjamin driehonderd zilverstukken en vijf stel feestgewaden.
22І дав усїм їм на переміну одежі на дорогу, Беняминові ж дав триста секлїв срібла і пять одежин на переміну.
23Eveneens zond hij aan zijn vader tien ezels, die de beste gaven van Egypte droegen, en tien ezelinnen beladen met koren en brood, en voedsel als voorraad voor de reis.
23А панотця свого він обіслав тим же робом і дав: десять ослів з уюками всїх благ Египецьких, і десять ослиць, вюкованих пашнею та хлїбом, і наїдками панотцеві свойму на дорогу.
24Zo liet hij zijn broers vertrekken, en zei hun nog bij hun vertrek: Doet elkaar onderweg geen verwijten.
24Так відпустив своє браттє, і рушили; і каже їм: Гледїть, незаїдайтесь у дорозї.
25Zij vertrokken nu uit Egypte, en gingen naar het land Kanaän, naar Jakob hun vader.
25І вийшли з Египту, і прийшли в Канаан землю до Якова, батька свого.
26Toen zij hem vertelden, dat Josef nog leefde, en over heel Egypte heerste, bleef hij er ongevoelig voor; want hij geloofde hen niet.
26І оповідали йому говорючи: Ще жив Йосиф, і він господарує над усїєю землю Египецькою. І зомлїло серце Яковове, не звірявся бо їм.
27Maar toen zij hem alles hadden verteld, wat Josef tot hen had gesproken, en hij de wagens zag, die Josef had gezonden, om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob weer op.
27Но переказували йому всї слова Йосифові, що промовляв до них, і як побачив колесницї, що послав Йосиф по його, тодї ожив дух Яковів, отця їх.
28En Israël sprak: Genoeg! Mijn zoon Josef leeft nog. Ik wil hem gaan zien, eer ik sterf!
28І каже Ізраїль: Буде з мене! Йосиф, син мій, іще жив! Пійду, побачу його перш нїж умірати менї.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.