Genesis 48
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Enige tijd later berichtte men Josef: Uw vader is ziek. Terstond ging hij naar Jakob, en nam zijn beide zonen, Manasse en Efraïm, met zich mee.
1І сталося після річей сих, що повідано Йосифові: Панотець твій знемагає. І взявши два сини свої, Манассїю та Ефраїма, вибрався в дорогу.
2Toen men Jakob vertelde, dat zijn zoon Josef was gekomen, verzamelde Israël zijn laatste krachten, en richtte zich in zijn bed overeind.
2І повідано Яковові: Син твій Йосиф іде до тебе. І вкрепившись Ізраїль сїв на постелї.
3En Jakob sprak tot Josef: De almachtige God is mij te Loez in het land Kanaän verschenen, en heeft mij gezegend.
3І каже Яков до Йосифа: Бог мій явивсь менї в Лусї, в Канаан землї, і благословив мене.
4Hij heeft mij gezegd: Ik zal u vruchtbaar en talrijk maken, u tot een schaar van volken doen groeien, en dit land aan uw nageslacht schenken tot een eeuwig bezit.
4І рече менї: Се я вирощу тебе і намножу тебе, і сотворю тебе купою народів, і дам тобі землю сю і насїнню твойму по тобі у державу віковічню.
5Welnu, uw beide zonen, die u in Egypte geboren zijn, voordat ik tot u in Egypte kwam, Efraïm en Manasse, gelden als zonen van mij; Efraïm en Manasse staan voor mij gelijk met Ruben en Simeon.
5Тепер же два сини твої, що вродились тобі в землї Египецькій, перше мого прибуття до тебе в Египет, мої вони: Ефраїм та Манассїй; як Рубен і Симеон будуть мої.
6Maar de kinderen, die ge na hen zult krijgen, zullen de uwen zijn, en onder de naam van hun broeders hun erfdeel ontvangen.
6Сини, що появиш по сих, будуть уже твої, і називати муться по прізвищам браття твого в наслїддї свойму жеребовому.
7Want toen ik uit Paddan-Aram kwam, is uw moeder Rachel in het land Kanaän op enige afstand van Efráta mij ontvallen, en heb ik haar op de weg naar Efráta, dat nu Betlehem heet, moeten begraven.
7Я ж, як ійшов із Падан-Арама, умерла Рахеля, мати твоя, в Канаан землї в дорозї до Ефрата, се Бетлегем.
8Toen Israël de zonen van Josef bemerkte, sprak hij: Wie hebt ge daar?
8Побачивши ж Ізраїль сини Йосифові, каже: Хто се?
9Josef gaf zijn vader ten antwoord: Het zijn mijn zonen, die God mij hier heeft gegeven. Hij zeide: Breng ze bij mij; ik wil ze zegenen.
9І каже Йосиф панотцеві свойму: Се мої сини, що Бог дав менї тутеньки. І каже Яков: Приведи їх до мене, щоб їх благословити.
10Want de ogen van Israël waren verzwakt van ouderdom, zodat hij niet kon zien. Toen Josef ze dus dicht bij hem had gebracht, kuste en omhelsde hij hen.
10Очі ж Ізраїлеві тяжко бачили від старощів і не зміг розгледїти.
11En Israël sprak tot Josef: Ik had niet gedacht, dat ik u nog zou weerzien; en zie, nu laat God mij nog uw kinderen aanschouwen.
11І каже Ізраїль до Йосифа: Не думав я вбачати лице твоє, аж ось Бог показав менї і насїннє твоє.
12Nu nam Josef ze van zijn knieën weg, en zij bogen zich ter aarde neer.
12І вивів їх Йосиф із між колїн його, та й уклонивсь йому лицем до землї.
13Dan nam Josef hen bij de hand: Efraïm bij de rechterhand, dus links van Israël; Manasse bij de linkerhand, dus rechts van Israël; zo plaatste hij ze vóór hem.
13І взявши Йосиф два сини свої, Ефраїма в правицю, проти лївиці Ізраїлевої, Манассїю ж у лївицю, проти правицї Ізраїлевої, наблизив їх до його.
14Maar Israël kruiste zijn armen: hij stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, ofschoon hij de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse, ofschoon hij de eerstgeborene was.
14І простягнув Ізраїль правицю і положив на голову Ефраїмову, — був же він молодший — а лївицю на голову Манассїєву; положив руки на вхрест, був бо Манассїй первенець.
15Toen zegende hij hen en sprak: De God, voor wiens aanschijn mijn vaderen hebben gewandeld, Abraham en Isaäk: De God, die mij heeft behoed van mijn geboorte af, Tot heden toe:
15І благословив Йосифа, і каже: Бог, що перед ним ходили отцї мої, Авраам та Ізаак, Бог, що годував мене змалечку та й до сього дня,
16De Engel, die mij uit alle nood heeft verlost, Zegene deze knapen! Moge in hen mijn naam blijven leven, en de naam van mijn vaderen, Abraham en Isaäk, En mogen zij vruchtbaar en talrijk worden In het land!
16Ангел, що вирятував мене з усякого лиха, нехай благословить хлопята сї, і прозветься в них прізвище моє і прізвище отцїв моїх, Авраама та Ізаака, і нехай виростуть у множество многе на землї.
17Josef zag tot zijn ontsteltenis, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm had gelegd. Hij greep de hand van zijn vader, om ze van het hoofd van Efraïm weg te nemen en op het hoofd van Manasse te leggen.
17І побачив Йосиф, що положив панотець його руку правицю свою на голову Ефраїмову, і не гаразд йому здалось воно, і прийняв Йосиф руку панотцеву, щоб з голови Ефраїмової перенести на голову Манассїєву.
18En Josef zei tot zijn vader: Zo niet vader; want dit is de oudste: leg uw rechterhand dus op zijn hoofd.
18І каже Йосиф панотцеві свойму: Не тако, панотченьку! Сей бо первенець; положи руку твою правицю на голову йому.
19Maar zijn vader weigerde het, en sprak: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het! Ook hij zal een volk worden, ook hij zal groot zijn; maar zijn jongere broer zal nog groter worden dan hij, en zijn geslacht een ganse schaar van volken.
19І не схотїв отець його, і каже: Знаю, синку. І він буде народом, і він буде великий; но брат його молодший більший над його буде, і насїннє його буде купою народів.
20En hij zegende hen op die dag, en sprak: Met uw naam zal Israël zegen wensen en zeggen: God make u als Efraïm en Manasse! Zo stelde hij Efraïm boven Manasse.
20І благословив їх того ж дня, і каже: Тобою благословляти ме Ізраїль говорючи: Зроби тебе Боже рівнею Ефраїмові й Манассїєві! І поставив Ефраїма перше Манассїя.
21Nu sprak Israël tot Josef: Zie, ik ga sterven; maar God zal met u zijn, en u terugleiden naar het land uwer vaderen.
21І каже Ізраїль Йосифові: Се я вміраю; но Бог буде з вами, і верне вас ізнов у землю отцїв ваших. Я ж тобі над брати надїлив країну, що одняв я в Аморія моїм мечом і моїм луком.
22Ik vermaak u één deel meer dan uw broeders; de bergrug, die ik op de Amorieten met mijn zwaard en mijn boog heb veroverd.
no verse 22 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.