Genesis 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1De slang was het sluwste van alle dieren in het wild, die Jahweh God had gemaakt. Ze sprak tot de vrouw: Heeft God u dan werkelijk verboden, van de bomen in de tuin te eten?
1و مار از همه حیوانات صحرا که خداوندخدا ساخته بود، هشیارتر بود. و به زن گفت: «آیا خدا حقیقت گفته است که از همه درختان باغ نخورید؟»
2De vrouw gaf de slang ten antwoord: We mogen de vruchten eten van al de bomen in de tuin;
2زن به مار گفت: «از میوه درختان باغ میخوریم،
3alleen heeft God gezegd: ge moogt niet de vruchten eten van de boom, die midden in de tuin staat, en die zelfs niet aanraken; anders zult ge sterven.
3لکن از میوه درختی که در وسط باغ است، خدا گفت از آن مخورید و آن را لمس مکنید، مبادا بمیرید.»
4Maar de slang sprak tot de vrouw: Ge zult volstrekt niet sterven.
4مار به زن گفت: «هر آینه نخواهید مرد،
5Maar God weet, dat uw ogen zullen opengaan, wanneer ge daarvan eet, en dat ge gelijk aan God zult worden door de kennis van goed en kwaad.
5بلکه خدا میداند درروزی که از آن بخورید، چشمان شما باز شود ومانند خدا عارف نیک و بد خواهید بود.»
6Ook had de vrouw al bemerkt, hoe goed die boom was om van te eten; hoe hij een lust was voor de ogen, en hoe verleidelijk, wanneer men inzicht wil verkrijgen. Ze plukte dus van zijn vrucht en at; ze gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at er van.
6و چون زن دید که آن درخت برای خوراک نیکوست وبنظر خوشنما و درختی دلپذیر دانش افزا، پس ازمیوهاش گرفته، بخورد و به شوهر خود نیز داد و اوخورد.
7Nu gingen hun beiden de ogen open; ze merkten, dat ze naakt waren. Ze hechtten daarom vijgeblaren aaneen, en maakten er zich een schaamgordel van.
7آنگاه چشمان هر دو ایشان باز شد وفهمیدند که عریانند. پس برگهای انجیر به هم دوخته، سترها برای خویشتن ساختند.
8En toen zij Jahweh God in de koelte van de middag in de tuin hoorden wandelen, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor Jahweh God tussen de bomen van de tuin.
8و آواز خداوند خدا را شنیدند که در هنگام وزیدن نسیم نهار در باغ میخرامید، و آدم و زنش خویشتن را از حضور خداوند خدا در میان درختان باغ پنهان کردند.
9Maar Jahweh God riep den mens, en sprak tot hem: Waar zijt gij?
9و خداوند خدا آدم راندا درداد و گفت: «کجا هستی؟»
10Hij antwoordde: Toen ik U in de tuin hoorde, werd ik bang, omdat ik naakt ben; en ik heb mij verborgen.
10گفت: «چون آوازت را در باغ شنیدم، ترسان گشتم، زیرا که عریانم. پس خود را پنهان کردم.»
11Maar Hij sprak: Wie heeft u verteld, dat ge naakt zijt? Hebt ge soms van de boom gegeten, waarvan Ik u verboden heb te eten?
11گفت: «که تورا آگاهانید که عریانی؟ آیا از آن درختی که تو راقدغن کردم که از آن نخوری، خوردی؟»
12De mens antwoordde: De vrouw, die Gij mij tot gezellin hebt gegeven, gaf mij van de boom, en ik at.
12آدم گفت: «این زنی که قرین من ساختی، وی از میوه درخت به من داد که خوردم.»
13Nu sprak Jahweh God tot de vrouw: Wat hebt ge gedaan? De vrouw gaf ten antwoord: De slang heeft mij verleid, en ik heb gegeten.
13پس خداوندخدا به زن گفت: «این چهکار است که کردی؟» زن گفت: «مار مرا اغوا نمود که خوردم.»
14Toen sprak Jahweh God tot de slang: Omdat ge dit gedaan hebt, zijt ge vervloekt Onder alle tamme en wilde dieren; Op uw buik zult ge kruipen, Stof vreten uw leven lang.
14پس خداوند خدا به مار گفت: «چونکه این کار کردی، از جمیع بهایم و از همه حیوانات صحرا ملعون تر هستی! بر شکمت راه خواهی رفت و تمام ایام عمرت خاک خواهی خورد.
15Ik zal vijandschap wekken tussen u en de vrouw, Tussen uw kroost en haar kroost; Dit zal u de kop verpletteren, Maar gij zult loeren naar zijn hiel.
15وعداوت در میان تو و زن، و در میان ذریت تو و ذریت وی میگذارم؛ او سر تو را خواهد کوبید وتو پاشنه وی را خواهی کوبید.»
16En tot de vrouw sprak Hij: De lasten uwer zwangerschap zal Ik verzwaren, In smarten zult ge kinderen baren; Toch zult ge naar uw man verlangen, En hij zal over u heersen.
16و به زن گفت: «الم و حمل تو را بسیار افزون گردانم؛ با الم فرزندان خواهی زایید و اشتیاق تو به شوهرت خواهد بود و او بر تو حکمرانی خواهد کرد.»
17En Hij sprak tot den mens: Omdat ge naar uw vrouw hebt geluisterd, En van de boom hebt gegeten, waarvan Ik u verbood te eten; Is om u de aardbodem vervloekt, Alleen door levenslang zwoegen zult ge er van eten.
17و به آدم گفت: «چونکه سخن زوجه ات راشنیدی و از آن درخت خوردی که امرفرموده، گفتم از آن نخوری، پس بسبب توزمین ملعون شد، و تمام ایام عمرت از آن بارنج خواهی خورد.
18Distels en doornen zal hij u voortbrengen, Ofschoon gij u met veldgewas moet voeden;
18خار و خس نیز برایت خواهد رویانید و سبزه های صحرا را خواهی خورد،
19In het zweet van uw aanschijn zult gij uw brood eten, Totdat ge terugkeert tot de grond, waaruit ge genomen zijt. Want ge zijt stof, En tot stof keert ge terug!
19و به عرق پیشانی ات نان خواهی خوردتا حینی که به خاک راجع گردی، که از آن گرفته شدی زیرا که تو خاک هستی و به خاک خواهی برگشت.»
20De mens noemde zijn vrouw nu Eva, omdat zij de moeder zou worden van al wat leeft.
20و آدم زن خود را حوا نام نهاد، زیرا که اومادر جمیع زندگان است.
21En Jahweh God maakte kleren van dierenhuiden voor den mens en zijn vrouw, en bekleedde hen daarmee.
21و خداوند خدارختها برای آدم و زنش از پوست بساخت وایشان را پوشانید.
22Toen sprak Jahweh God: Zie, door de kennis van goed en kwaad is de mens geworden als een van ons. Als hij nu zijn hand maar niet uitstrekt, om te plukken en te eten van de levensboom, zodat hij ook nog eeuwig blijft leven!
22و خداوند خدا گفت: «هماناانسان مثل یکی از ما شده است، که عارف نیک وبد گردیده. اینک مبادا دست خود را دراز کند و ازدرخت حیات نیز گرفته بخورد، و تا به ابد زنده ماند.»
23Daarom verdreef Jahweh God hem uit de tuin van Eden, om de grond te bebouwen, waaruit hij genomen was.
23پس خداوند خدا، او را از باغ عدن بیرون کرد تا کار زمینی را که از آن گرفته شده بود، بکند.
24Hij joeg den mens weg, en plaatste ten oosten van Edens tuin de cherubs met de vlam van het bliksemende zwaard, om de weg naar de levensboom te bewaken.
24پس آدم را بیرون کرد و به طرف شرقی باغ عدن، کروبیان را مسکن داد و شمشیرآتشباری را که به هر سو گردش میکرد تا طریق درخت حیات را محافظت کند.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.