Genesis
Chapter 42
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Toen Jakob vernam, dat er in Egypte koren was, zeide hij tot zijn zonen: Wat talmt ge nog?
1Vendo Jacó que havia cereal no Egito, disse aos seus filhos: “Por que vocês ficam olhando uns para os outros?”
2Ik heb gehoord, dat er koren is in Egypte. Trekt daarheen, en gaat er wat voor ons kopen, zodat we in leven blijven en niet sterven.
2Ele disse: “Eis que ouvi dizer que há cereal no Egito. Desçam até lá e comprem para nós, para que vivamos e não morramos.”
3Tien broeders van Josef gingen dus op weg, om in Egypte graan te kopen.
3Então, dez dos irmãos de José desceram para comprar cereal do Egito.
4Maar Jakob liet Benjamin, den broer van Josef, niet met de andere broers meegaan; want hij was bang, dat hem een ongeluk zou overkomen.
4Mas Jacó não enviou Benjamim, irmão de José, com os seus irmãos; pois disse: “Para que não lhe aconteça algum mal.”
5Zo kwamen de zonen van Israël, tegelijk met vele anderen, daar aan, om koren te kopen; want er was hongersnood in het land Kanaän.
5Os filhos de Israel vieram para comprar entre os que vinham, pois havia fome na terra de Canaã.
6Josef, die toen het land bestuurde, verkocht persoonlijk aan al de volken der aarde. Ook de broers van Josef gingen dus naar hem toe, en bogen zich voor hem ter aarde neer.
6José era o governador sobre a terra. Era ele quem vendia a todo o povo da terra. Os irmãos de José vieram e se prostraram diante dele com o rosto em terra.
7Zodra Josef zijn broers zag, herkende hij hen, maar hij maakte zich zelf aan hen niet bekend. Bars sprak hij hen toe: Waar komt ge vandaan? Zij antwoordden: Uit het land Kanaän, om koren te kopen.
7José viu seus irmãos e os reconheceu, mas agiu como um estranho para eles, e falou-lhes asperamente. Ele lhes disse: “De onde vocês vieram?” Eles disseram: “Da terra de Canaã, para comprar comida.”
8Nu wist Josef zeker, dat het zijn broers waren, en dat zij hem niet hadden herkend;
8José reconheceu seus irmãos, mas eles não o reconheceram.
9en hij herinnerde zich toen de dromen, die hij vroeger had gehad. Hij sprak tot hen: Gij zijt spionnen; ge zijt gekomen, om de zwakke punten van het land te verspieden.
9José lembrou-se dos sonhos que teve a respeito deles, e lhes disse: “Vocês são espiões! Vocês vieram para ver a nudez da terra.”
10Zij antwoordden: Neen, heer; uw dienaars zijn enkel gekomen, om levensmiddelen te kopen.
10Eles lhe disseram: “Não, meu senhor, mas os seus servos vieram para comprar comida.
11Wij allen zijn zonen van één man, en wij zijn betrouwbare mensen; uw dienaars zijn geen spionnen.
11Nós todos somos filhos de um só homem; somos homens honestos. Os seus servos não são espiões.”
12Hij herhaalde: Niet waar, ge zijt gekomen, om de zwakke punten van het land te verspieden.
12Ele lhes disse: “Não, mas vocês vieram para ver a nudez da terra!”
13Ze zeiden: Uw dienaren zijn twaalf in getal geweest; wij zijn broeders en zonen van één man uit het land Kanaän. De jongste is bij onzen vader gebleven, en één is er niet meer.
13Eles disseram: “Nós, os seus servos, somos doze irmãos, filhos de um só homem na terra de Canaã; e eis que o mais novo está hoje com nosso pai, e um já não existe.”
14Josef hernam: Ik blijf er bij; ge zijt spionnen.
14José lhes disse: “É como eu lhes falei, dizendo: 'Vocês são espiões!'
15Dat is nu juist een punt, om u op de proef te stellen; bij het leven van Farao, gij komt hier niet vandaan, eer uw jongste broer naar hier is gekomen.
15Nisto vocês serão provados. Pela vida do Faraó, vocês não sairão daqui, a menos que o seu irmão mais novo venha para cá.
16Stuur dus een van u, om uw broer te halen; gij blijft hier gevangen achter. Zo kan worden onderzocht, of ge de waarheid hebt gesproken. En zo dit niet het geval is: bij het leven van Farao, dan zijt ge verspieders.
16Enviem um de vocês, e que ele busque o seu irmão, e vocês ficarão presos, para que as suas palavras sejam provadas, se há verdade em vocês; ou então, pela vida do Faraó, certamente vocês são espiões.”
17Nu liet hij hen drie dagen lang te zamen in de gevangenis opsluiten.
17Ele os colocou todos juntos sob custódia por três dias.
18Op de derde dag sprak Josef tot hen: Ge kunt uw leven redden, zo ge doet wat ik zeg; ook ik ben een godvrezend man.
18Ao terceiro dia, José lhes disse: “Façam isto e viverão, pois eu temo a Deus.
19Wanneer gij betrouwbare mannen zijt, laat dan een van uw broers als gevangene in uw kerker achter; de anderen van u kunnen vertrekken, en koren meenemen, om de honger van uw gezinnen te stillen.
19Se vocês são homens honestos, então que um dos seus irmãos fique preso na prisão onde estão; mas vocês, vão e levem cereal para a fome de suas casas.
20Maar ge brengt uw jongsten broeder naar mij toe, om de waarheid van uw woorden te bewijzen; dan zult ge niet sterven. Daar gingen ze op in.
20Tragam-me o seu irmão mais novo; assim as suas palavras serão verificadas, e vocês não morrerão.” E eles assim fizeram.
21Maar ze zeiden toch onder elkander: Waarachtig, we hebben het aan onzen broer verdiend. Wij hebben zijn doodsangst gezien, maar niet naar hem willen luisteren, toen hij ons om genade smeekte. Daarom komt deze ramp over ons.
21Eles disseram uns aos outros: “Certamente somos culpados em relação ao nosso irmão, pois vimos a angústia da sua alma, quando ele nos implorou, e nós não quisemos ouvir. Por isso esta angústia veio sobre nós.”
22Ruben voegde er nog aan toe: Heb ik u niet gezegd, u niet aan den knaap te bezondigen? Maar gij hebt niet willen luisteren. Zie, nu wordt zijn bloed teruggeëist.
22Rúben lhes respondeu, dizendo: “Eu não lhes falei, dizendo: 'Não pequem contra o menino', e vocês não quiseram ouvir? Portanto, eis que o seu sangue é exigido.”
23Ze wisten niet, dat Josef hen verstond; want ze hadden zich van een tolk bediend.
23Eles não sabiam que José os entendia; pois havia um intérprete entre eles.
24Josef weende met de rug naar hen toe. Daarna keerde hij zich om, en onderhield zich met hen. Hij liet Simeon uit hun midden weghalen, en hem voor hun ogen in boeien slaan.
24Ele se afastou deles e chorou. Depois voltou a eles, falou com eles, tomou a Simeão dentre eles, e o amarrou diante dos seus olhos.
25Nu gaf Josef bevel, hun zakken met koren te vullen, maar in ieders zak het geld terug te leggen, en hun mondvoorraad mee te geven voor onderweg. Zo deed men.
25Então José deu ordem para encherem as suas vasilhas com cereal, e para devolver o dinheiro de cada homem no seu saco, e para lhes dar comida para o caminho. E assim lhes foi feito.
26Zij laadden het koren op hun ezels, en trokken weg.
26Eles carregaram os seus jumentos com o seu cereal, e partiram dali.
27Maar toen een van hen in het nachtverblijf zijn zak opendeed, om zijn ezel te voeren, vond hij het geld bovenop in de zak.
27Quando um deles abriu o seu saco para dar comida ao seu jumento na hospedaria, viu o seu dinheiro. Eis que estava na boca do seu saco.
28Hij zei tot zijn broers: Mijn geld is terug; daar ligt het in mijn zak. Zij bestierven het van schrik, en zeiden tot elkander: Wat laat God ons nu overkomen?
28Ele disse aos seus irmãos: “O meu dinheiro foi devolvido! Eis que está no meu saco!” O coração deles desfaleceu, e voltaram-se tremendo uns para os outros, dizendo: “O que é isto que Deus nos fez?”
29Zo kwamen zij dan bij hun vader Jakob in het land Kanaän terug, en verhaalden hem alles, wat hun overkomen was.
29Eles chegaram a Jacó, seu pai, na terra de Canaã, e lhe contaram tudo o que lhes havia acontecido, dizendo:
30Ze zeiden: Die man, die daar het land regeert, heeft ons bars toegesproken, en ons uitgemaakt voor verspieders van het land.
30“O homem, o senhor da terra, falou asperamente conosco, e nos tomou por espiões do país.
31Wij hebben hem geantwoord: Wij zijn betrouwbare mensen en geen spionnen.
31Nós lhe dissemos: 'Somos homens honestos. Não somos espiões.
32Wij zijn twaalf broeders geweest, zonen van één vader; één is er niet meer, en de jongste is bij zijn vader in het land Kanaän gebleven.
32Somos doze irmãos, filhos do nosso pai; um já não existe, e o mais novo está hoje com o nosso pai na terra de Canaã.'
33Maar de man, die daar het land regeert, sprak tot ons: Dit zal voor mij het bewijs zijn, dat gij betrouwbare mensen zijt; één van uw broers zal bij me blijven; de anderen van u kunnen vertrekken en koren meenemen, om de honger van uw gezinnen te stillen.
33O homem, o senhor da terra, nos disse: 'Por isto saberei que vocês são homens honestos: deixem um dos seus irmãos comigo, e levem cereal para a fome de suas casas, e sigam o seu caminho.
34Maar brengt uw jongsten broer tot mij; dan zal ik weten, dat gij geen verspieders zijt. Als gij betrouwbare mannen zijt, geef ik uw broer aan u terug, en kunt gij vrij door het land reizen.
34Tragam-me o seu irmão mais novo. Então saberei que vocês não são espiões, mas que são homens honestos. Assim, eu lhes entregarei o seu irmão, e vocês poderão negociar na terra.'”
35Toen zij hun zakken ledigden, vond ieder zijn buidel met geld in zijn zak. Bij het zien van hun buidels met geld, werden zij, zowel als hun vader, bevreesd.
35Ao esvaziarem os seus sacos, eis que a trouxa de dinheiro de cada homem estava no seu saco. Quando eles e o seu pai viram as suas trouxas de dinheiro, ficaram com medo.
36En hun vader Jakob zeide tot hen: Ge maakt me kinderloos; Josef is weg, Simeon is weg, en nu neemt ge ook nog Benjamin weg; het drukt me allemaal zwaar.
36Jacó, o seu pai, lhes disse: “Vocês me privaram dos meus filhos! José já não existe, Simeão já não existe, e vocês querem levar Benjamim. Todas estas coisas estão contra mim.”
37Maar nu zei Ruben tot zijn vader: Ge moogt mijn beide zonen doden, als ik hem niet bij u terugbreng. Vertrouw hem mij toe; ik breng hem u terug.
37Rúben falou ao seu pai, dizendo: “Mate os meus dois filhos, se eu não o trouxer ao senhor. Confie-o aos meus cuidados, e eu o trarei novamente para o senhor.”
38Maar hij antwoordde: Mijn zoon gaat niet met u mee; want zijn broer is dood, en hij alleen is nog over. Overkomt hem een ongeluk op de reis, die ge onderneemt, dan zoudt ge mijn grijze haren met kommer ten grave doen dalen.
38Ele disse: “O meu filho não descerá com vocês; pois o seu irmão está morto, e só ele restou. Se algum mal lhe acontecer no caminho em que vocês forem, então vocês farão descer os meus cabelos brancos com tristeza ao Seol.”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.