Genesis 30
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Toen Rachel zag, dat zij Jakob geen kinderen schonk, werd zij jaloers op haar zuster, en zei tegen Jakob: Geef mij zonen, anders ga ik dood.
1Quando Raquel viu que não dava filhos a Jacó, teve inveja de sua irmã. Ela disse a Jacó: “Dê-me filhos, senão eu morrerei.”
2Toornig gaf Jakob Rachel ten antwoord: Neem ik soms de plaats in van God, die een vrucht aan uw schoot heeft geweigerd?
2A ira de Jacó se acendeu contra Raquel, e ele disse: “Acaso estou no lugar de Deus, que lhe negou o fruto do ventre?”
3Nu sprak ze: Hier hebt ge Bilha, mijn slavin; houd gemeenschap met haar, dan kan zij op mijn knieën baren, en ook ik door middel van haar uw geslacht opbouwen.
3Ela disse: “Eis aqui minha serva Bila. Deite-se com ela, para que ela dê à luz sobre os meus joelhos, e eu também possa ter filhos por meio dela.”
4Zij gaf hem dus haar slavin Bilha tot vrouw, en Jakob hield gemeenschap met haar.
4Ela lhe deu sua serva Bila por mulher, e Jacó deitou-se com ela.
5Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.
5Bila concebeu e deu um filho a Jacó.
6En Rachel sprak: God heeft mij recht gedaan; Hij heeft ook naar mijn smeken geluisterd en mij een zoon geschonken; daarom noemde ze hem Dan.
6Raquel disse: “Deus me fez justiça, e também ouviu a minha voz, e me deu um filho.” Por isso ela o chamou de Dã.
7Weer werd Bilha, de slavin van Rachel, zwanger en baarde Jakob een tweeden zoon.
7Bila, serva de Raquel, concebeu novamente e deu um segundo filho a Jacó.
8Nu sprak Rachel: Een heftige kamp heb ik met mijn zuster gestreden, en ik heb overwonnen. En ze noemde hem Neftali.
8Raquel disse: “Com grandes lutas tenho lutado com minha irmã, e prevaleci.” Ela o chamou de Naftali.
9Toen Lea zag, dat zij geen kinderen meer kreeg, nam zij Zilpa haar dienstmaagd, en gaf haar aan Jakob tot vrouw.
9Quando Lia viu que tinha parado de ter filhos, tomou Zilpa, sua serva, e a deu a Jacó por mulher.
10Ook Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon.
10Zilpa, serva de Lia, deu um filho a Jacó.
11En Lea zeide: Wat een weelde! En ze noemde hem Gad.
11Lia disse: “Que sorte!” Ela o chamou de Gade.
12Nog baarde Zilpa, de slavin van Lea, Jakob een zoon.
12Zilpa, serva de Lia, deu um segundo filho a Jacó.
13Nu sprak Lea: Wat een geluk! Nu prijzen de vrouwen mij gelukkig. En ze noemde hem Aser.
13Lia disse: “Como sou feliz! Pois as mulheres me chamarão feliz.” Ela o chamou de Aser.
14Eens ging Ruben in de tijd van de tarweoogst het veld in, en vond er liefdesappeltjes, die hij naar zijn moeder Lea bracht. Nu vroeg Rachel aan Lea: Geef mij een paar appeltjes van uw zoon.
14Rúben saiu nos dias da colheita de trigo, encontrou mandrágoras no campo e as trouxe para sua mãe, Lia. Então Raquel disse a Lia: “Por favor, dê-me algumas das mandrágoras do seu filho.”
15Maar zij gaf haar ten antwoord: Is het al niet genoeg, dat ge mij mijn man hebt ontstolen; wilt ge me nu ook nog de appeltjes van mijn zoon ontroven? Rachel zeide: Dan mag hij vannacht bij u slapen, in ruil voor de appeltjes van uw zoon.
15Lia lhe respondeu: “Parece-lhe pouco ter tomado o meu marido? Você quer tomar também as mandrágoras do meu filho?” Raquel disse: “Sendo assim, ele se deitará com você esta noite em troca das mandrágoras do seu filho.”
16Toen Jakob dus in de avond van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet en sprak: Bij mij moet ge komen; want ik heb er eerlijk voor betaald met de appeltjes van mijn zoon. Die nacht sliep hij dus bij haar.
16Jacó veio do campo à tarde, e Lia saiu ao seu encontro e disse: “Você deve deitar-se comigo, pois eu certamente o aluguei com as mandrágoras do meu filho.” Ele se deitou com ela naquela noite.
17En God verhoorde Lea: zij werd zwanger, en baarde Jakob een vijfden zoon.
17Deus ouviu a Lia, e ela concebeu e deu a Jacó um quinto filho.
18En Lea sprak: God heeft mij er voor beloond, dat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven. En zij noemde hem Issakar.
18Lia disse: “Deus me deu a minha recompensa, porque dei minha serva ao meu marido.” Ela o chamou de Issacar.
19Wederom werd Lea zwanger, en baarde Jakob een zesden zoon.
19Lia concebeu novamente e deu um sexto filho a Jacó.
20Nu sprak Lea: God heeft mij een mooi geschenk gegeven; nu zal mijn man wel bij me blijven, want ik heb hem zes zonen gebaard. En ze noemde hem Zabulon.
20Lia disse: “Deus me presenteou com um bom dote. Agora meu marido morará comigo, porque lhe dei seis filhos.” Ela o chamou de Zebulom.
21Daarna baarde ze nog een dochter, die ze Dina noemde.
21Depois disso, ela deu à luz uma filha e a chamou de Diná.
22Nu gedacht God ook Rachel; Hij verhoorde haar, en opende haar schoot.
22Deus lembrou-se de Raquel, ouviu-a e abriu o seu ventre.
23Ook zij werd zwanger, en baarde een zoon. Nu zeide ze: God heeft mijn schande weggenomen.
23Ela concebeu, deu à luz um filho e disse: “Deus tirou a minha vergonha.”
24Zij noemde hem Josef; want ze sprak: Jahweh geve me nog een anderen zoon.
24Ela o chamou de José, dizendo: “Que o SENHOR me acrescente outro filho.”
25Toen Rachel dan Josef had gebaard, zei Jakob tot Laban: Laat mij nu heengaan, en naar mijn stad en vaderland trekken.
25Quando Raquel deu à luz José, Jacó disse a Labão: “Despeça-me, para que eu possa ir para o meu próprio lugar e para a minha terra.
26Geef mij mijn vrouwen en kinderen, voor wie ik u heb gediend; dan kan ik vertrekken. Want ge weet, hoe ik voor u heb gezwoegd.
26Dê-me as minhas mulheres e os meus filhos, pelos quais o tenho servido, e deixe-me ir; pois você conhece o serviço que lhe prestei.”
27Maar Laban zeide hem: Laat mij genade vinden in uw ogen; want ik heb de tekens waargenomen, dat Jahweh mij om uwentwille heeft gezegend.
27Labão lhe disse: “Se agora encontrei favor em seus olhos, fique aqui, pois descobri por adivinhação que o SENHOR me abençoou por sua causa.”
28En hij ging voort: Bepaal zelf het loon, dat ge van mij wilt hebben, en ik zal het u geven.
28Ele disse: “Determine o seu salário, e eu o pagarei.”
29Hij gaf hem ten antwoord: Gij weet, hoe ik u heb gediend, en hoe het onder mijn hoede met uw kudde is gegaan.
29Jacó lhe disse: “Você sabe como o tenho servido e como o seu rebanho tem prosperado comigo.
30Want vóór mijn komst was uw bezit slechts gering, maar sedert dien is het geweldig vermeerderd; Jahweh heeft u gezegend bij iedere stap, die ik zette. Wanneer zal ik nu eindelijk eens voor mijn eigen gezin kunnen zorgen?
30Pois era pouco o que você tinha antes de eu chegar, e isso aumentou para uma multidão. O SENHOR o abençoou por onde quer que eu tenha andado. Agora, quando providenciarei também para a minha própria casa?”
31zeide: Wat moet ik u geven? Jakob antwoordde: Ge behoeft me eigenlijk helemaal niets te geven; als ge het volgende voorstel aanvaardt, zal ik opnieuw uw kudde weiden en hoeden.
31Labão perguntou: “O que lhe darei?” Jacó respondeu: “Você não me dará nada. Se fizer esta coisa por mim, voltarei a apascentar e a guardar o seu rebanho.
32Ik zal vandaag uw hele kudde langs gaan, om alle gevlekte en gespikkelde geiten en alle zwarte schapen af te zonderen. Alle gespikkelde en gevlekte geiten en alle zwarte schapen zullen mijn loon zijn.
32Passarei por todo o seu rebanho hoje, removendo de lá todos os salpicados e malhados, e todos os pretos entre as ovelhas, e os malhados e salpicados entre as cabras. Este será o meu salário.
33In mijn eerlijkheid leg ik voor later deze getuigenis af: Wanneer gij mijn loon zult komen bezien, zal alles, wat niet gevlekt en gespikkeld is onder de geiten en zwart onder de schapen, als door mij gestolen gelden.
33Assim, a minha justiça responderá por mim no futuro, quando você vier verificar o meu salário que está diante de você. Todo aquele que não for salpicado e malhado entre as cabras, e preto entre as ovelhas, que estiver comigo, será considerado roubado.”
34Laban ging er op in: Goed, laat het zijn, zoals ge gezegd hebt.
34Labão disse: “Pois bem, que seja conforme a sua palavra.”
35Nog diezelfde dag zonderde Laban de gestreepte en gespikkelde bokken met alle gevlekte en gespikkelde geiten af, alles, waar maar iets wits aan was, en eveneens alle zwarte schapen, en liet ze door zijn zonen hoeden.
35Naquele dia, ele removeu os bodes que eram listrados e malhados, e todas as cabras que eram salpicadas e malhadas, todos os que tinham alguma mancha branca, e todos os pretos entre as ovelhas, e os entregou nas mãos de seus filhos.
36Hij stelde een afstand van drie dagmarsen tussen hen en Jakob, die de overige kudde van Laban hoedde.
36Ele estabeleceu a distância de três dias de viagem entre si e Jacó, e Jacó apascentou o restante dos rebanhos de Labão.
37Maar nu nam Jakob jonge takken van gomboom, amandel en plataan, en schilde ze zo, dat het spint van de stokken in witte strepen bloot kwam te liggen.
37Jacó tomou para si varas verdes de álamo, de amendoeira e de plátano, descascou nelas listras brancas, e fez aparecer o branco que havia nas varas.
38Toen legde hij de stokken, die hij aldus van hun schors had ontdaan, vlak voor de geiten in de drinkbakken en waterbekkens, waaruit het vee kwam drinken. En als het vee dan bronstig werd, wanneer het kwam drinken,
38Ele colocou as varas que havia descascado em frente aos rebanhos, nos bebedouros onde os rebanhos vinham beber. Eles concebiam quando vinham beber.
39besprong het elkaar bij de stokken, en wierp dus gestreepte, gevlekte en gespikkelde lammeren,
39Os rebanhos concebiam diante das varas, e os rebanhos produziam crias listradas, salpicadas e malhadas.
40die door Jakob werden afgezonderd. Maar de schapen keerde hij met de koppen naar alle gevlekte en zwarte schapen van de kudde van Laban. Zo vormde hij een afzonderlijke kudde, die hij niet bij de kudde van Laban liet komen.
40Jacó separou os cordeiros, e virou os rostos dos rebanhos para os listrados e todos os pretos no rebanho de Labão. Ele colocou os seus próprios rebanhos à parte, e não os juntou ao rebanho de Labão.
41Wanneer nu de sterke beesten bronstig waren, legde Jakob de stokken voor de kudde in de drinkbakken, zodat ze elkander bij de stokken besprongen.
41Sempre que os animais mais fortes do rebanho concebiam, Jacó colocava as varas diante dos olhos do rebanho nos bebedouros, para que concebessem entre as varas;
42Maar bij de zwakke dieren deed hij dat niet. Op die manier kreeg Laban de zwakke dieren en Jakob de sterke.
42mas quando o rebanho era fraco, ele não as colocava. Assim, os mais fracos ficavam para Labão, e os mais fortes para Jacó.
43Zo werd die man buitengewoon rijk, en kreeg hij talrijke kudden, slavinnen en slaven, kamelen en ezels.
43O homem prosperou muitíssimo, e teve grandes rebanhos, servas e servos, camelos e jumentos.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.