Genesis 44
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Daarna gaf hij zijn hofmeester het volgende bevel: Vul de zakken van die mannen met levensmiddelen, zoveel als ze maar kunnen dragen, en leg het geld van ieder boven in zijn zak.
1Then Joseph instructed his steward: “Fill the men’s sacks with as much food as they can carry, and put each one’s silver in the mouth of his sack.
2Maar mijn eigen zilveren beker moet ge boven in de zak van den jongste leggen bij het geld voor zijn koren. Hij deed, wat Josef hem bevolen had.
2Put my cup, the silver one, in the mouth of the youngest one’s sack, along with the silver for his grain.” So the steward did as Joseph had instructed.
3Vroeg in de morgen liet men de mannen met hun ezels vertrekken.
3At daybreak, the men were sent on their way with their donkeys.
4Maar zij waren nog niet ver buiten de stad, toen Josef tot zijn hofmeester zeide: Vooruit, jaag die mannen na, en als ge ze ingehaald hebt, zeg hun dan: “Waarom vergeldt ge goed met kwaad?
4They had not gone far from the city when Joseph told his steward, “Pursue the men at once, and when you overtake them, ask, ‘Why have you repaid good with evil?
5Waarom hebt ge de zilveren beker gestolen, en nog wel die, waar mijn heer uit drinkt en waaruit hij de toekomst voorspelt. Ge hebt daar slecht mee gedaan.”
5Is this not the cup my master drinks from and uses for divination? What you have done is wicked!’”
6Toen hij hen had ingehaald, sprak hij hen toe, zoals was bevolen.
6When the steward overtook them, he relayed these words to them.
7Zij antwoordden: Hoe kan mijn heer nu zo iets zeggen? Zo iets zouden uw dienaren zeker niet doen.
7“Why does my lord say these things?” they asked. “Your servants could not possibly do such a thing.
8Zie, het geld, dat wij boven in onze zakken hadden gevonden, hebben we u uit het land Kanaän teruggebracht. Hoe zouden we dan zilver of goud uit het huis van uw heer durven stelen?
8We even brought back to you from the land of Canaan the silver we found in the mouths of our sacks. Why would we steal silver or gold from your master’s house?
9Hij, bij wien de beker gevonden wordt, zal sterven; en de anderen van ons zullen de slaven zijn van uw heer.
9If any of your servants is found to have it, he must die, and the rest will become slaves of my lord.”
10Hij zeide toen: Eigenlijk moest het gebeuren, zoals ge zegt. Maar zo zal het wezen: bij wien de beker gevonden wordt, hij zal mijn slaaf zijn; maar de anderen van u gaan vrij uit.
10“As you say,” replied the steward. “But only the one who is found with the cup will be my slave, and the rest of you shall be free of blame.”
11Toen zette ieder van hen vlug zijn zak op de grond, en maakte hem open.
11So each one quickly lowered his sack to the ground and opened it.
12Hij begon zijn onderzoek bij den oudste om te eindigen bij den jongste; en de beker werd in de zak van Benjamin gevonden.
12The steward searched, beginning with the oldest and ending with the youngest—and the cup was found in Benjamin’s sack.
13Nu scheurden zij allen hun kleren, laadden hun zak weer op hun ezels, en keerden terug naar de stad.
13Then they all tore their clothes, loaded their donkeys, and returned to the city.
14Zo kwamen Juda en zijn broers aan het huis van Josef, waar deze nog altijd vertoefde, en wierpen zich voor hem op de grond.
14When Judah and his brothers arrived at Joseph’s house, he was still there, and they fell to the ground before him.
15Josef sprak hen aan: Wat hebt ge gedaan; begreept ge dan niet, dat iemand als ik een goed waarzegger is?
15“What is this deed you have done?” Joseph declared. “Do you not know that a man like me can surely divine the truth?”
16Juda zeide: Wat zullen we onzen heer antwoorden, wat zullen we zeggen, hoe ons rechtvaardigen? God wreekt de schuld van uw dienaren. Zie, wij zijn de slaven van onzen heer, wij met hem, bij wien de beker is gevonden.
16“What can we say to my lord?” Judah replied. “How can we plead? How can we justify ourselves? God has exposed the iniquity of your servants. We are now my lord’s slaves—both we and the one who was found with the cup.”
17Hij sprak: Ik denk er niet aan, zo iets te doen; alleen de man, bij wien de beker is gevonden, zal mijn slaaf zijn, maar gij kunt in vrede naar uw vader gaan.
17But Joseph replied, “Far be it from me to do this. The man who was found with the cup will be my slave. The rest of you may return to your father in peace.”
18Nu trad Juda naar voren, en sprak: Met uw verlof, heer! Laat uw dienaar een enkel woord tot mijn heer mogen spreken, zonder dat gij toornig wordt op uw dienaar; want gij zijt verheven als Farao!
18Then Judah approached Joseph and said, “Sir, please let your servant speak personally to my lord. Do not be angry with your servant, for you are equal to Pharaoh himself.
19Mijn heer heeft aan zijn dienaars gevraagd: “Hebt gij nog een vader of een broer?”
19My lord asked his servants, ‘Do you have a father or a brother?’
20Wij hebben onzen heer toen geantwoord: “Wij hebben een ouden vader en een jongen broer, die hem op zijn oude dag is geboren. Zijn broer is dood, zijn moeder heeft hem alleen nog over, en hij is de lieveling van zijn vader”.
20And we answered, ‘We have an elderly father and a younger brother, the child of his old age. The boy’s brother is dead. He is the only one of his mother’s sons left, and his father loves him.’
21Gij hebt toen tot uw dienaars gezegd: “Brengt hem naar mij toe, opdat ik hem met eigen ogen kan zien”.
21Then you told your servants, ‘Bring him down to me so that I can see him for myself.’
22Wij hebben onzen heer geantwoord: “De jongen kan niet weg van zijn vader; zijn vader zou sterven, als hij hem verliet”.
22So we said to my lord, ‘The boy cannot leave his father. If he were to leave, his father would die.’
23Maar gij hebt toen uw dienaars gedreigd: “Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als uw jongste broer niet met u mee komt”.
23But you said to your servants, ‘Unless your younger brother comes down with you, you will not see my face again.’
24Nadat wij dus waren teruggekeerd naar onzen vader, uw dienaar, hebben wij hem de woorden van onzen heer meegedeeld.
24Now when we returned to your servant my father, we relayed your words to him.
25En toen onze vader beval: “Gaat weer wat levensmiddelen voor ons kopen”
25Then our father said, ‘Go back and buy us some food.’
26hebben we geantwoord: “Zo kunnen we niet gaan! Alleen als onze jongste broer met ons meegaat, zullen we vertrekken; want we durven dien man niet meer onder de ogen komen, als onze jongste broeder ons niet vergezelt”.
26But we answered, ‘We cannot go down there unless our younger brother goes with us. So if our younger brother is not with us, we cannot see the man.’
27Toen sprak mijn vader, uw dienaar, tot ons: “Ge weet, dat mijn vrouw mij maar twee zonen heeft geschonken.
27And your servant my father said to us, ‘You know that my wife bore me two sons.
28De een is van mij heengegaan; ik denk dat hij verscheurd is, want ik heb hem nooit meer gezien.
28When one of them was gone, I said: “Surely he has been torn to pieces.” And I have not seen him since.
29Als ge nu ook dezen van mij wegneemt, en hem een ongeluk overkomt, dan zoudt ge mijn grijze haren met kommer ten grave doen dalen”.
29Now if you also take this one from me and harm comes to him, you will bring my gray hair down to Sheol in sorrow.’
30Wanneer ik nu dus terugkom bij mijn vader, uw dienaar, en de knaap, aan wien hij met heel zijn ziel hangt, ons niet vergezelt,
30So if the boy is not with us when I return to your servant, and if my father, whose life is wrapped up in the boy’s life,
31dan zal hij sterven, als hij ziet, dat de jongen er niet is, en uw dienaars zullen de grijze haren van onzen vader, uw dienaar, met kommer ten grave doen dalen.
31sees that the boy is not with us, he will die. Then your servants will have brought the gray hair of your servant our father down to Sheol in sorrow.
32Waarachtig, uw dienaar is borg gebleven voor den knaap bij mijn vader, en heeft hem gezegd: “Als ik hem niet bij u terugbreng, blijf ik mijn leven lang schuldig voor mijn vader.”
32Indeed, your servant guaranteed the boy’s safety to my father, saying, ‘If I do not return him to you, I will bear the guilt before you, my father, all my life.’
33Laat dus uw dienaar, in plaats van den jongen, als slaaf van mijn heer achterblijven, maar laat de knaap met zijn broers vertrekken.
33Now please let your servant stay here as my lord’s slave in place of the boy. Let him return with his brothers.
34Want hoe zou ik naar mijn vader durven terugkeren, als de jongen mij niet vergezelt! Ik zou de smart niet kunnen aanzien, die mijn vader zou treffen.
34For how can I go back to my father without the boy? I could not bear to see the misery that would overwhelm him.”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.