Genesis 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Dit is de geslachtslijst van de zonen van Noë: van Sem, Cham en Jáfet; want hun werden na de zondvloed zonen geboren.
1This is the account of Noah’s sons Shem, Ham, and Japheth, who also had sons after the flood.
2De zonen van Jáfet zijn Gómer, Magog, Madai, Jawan, Toebal, Mésjek en Tiras.
2The sons of Japheth: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Meshech, and Tiras.
3De zonen van Gómer: Asjkenaz, Rifat en Togarma.
3The sons of Gomer: Ashkenaz, Riphath, and Togarmah.
4De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de Kittiërs en de Rodiërs;
4And the sons of Javan: Elishah, Tarshish, the Kittites, and the Rodanites.
5dezen hebben zich over de kustlanden der volken verdeeld. Dit zijn de zonen van Jáfet volgens hun landen, elk naar zijn taal, zijn stam en zijn volk.
5From these, the maritime peoples separated into their territories, according to their languages, by clans within their nations.
6De zonen van Cham zijn Koesj, Egypte, Poet en Kanaän.
6The sons of Ham: Cush, Mizraim, Put, and Canaan.
7De zonen van Koesj zijn Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. De zonen van Rama zijn Sjeba en Dedan.
7The sons of Cush: Seba, Havilah, Sabtah, Raamah, and Sabteca. And the sons of Raamah: Sheba and Dedan.
8Koesj verwekte ook Nimrod. Deze begon machtig te worden op aarde;
8Cush was the father of Nimrod, who began to be a mighty one on the earth.
9hij was een geweldig jager voor Jahweh. Daarom zegt men “Een geweldig jager voor Jahweh als Nimrod”.
9He was a mighty hunter before the LORD; so it is said, “Like Nimrod, a mighty hunter before the LORD.”
10Aanvankelijk heerste hij over Babel, Erek, Akkad en Kalne, in het land Sjinar;
10His kingdom began in Babylon, Erech, Accad, and Calneh, in the land of Shinar.
11maar van dat land rukte hij naar Assjoer op, waar hij Ninive bouwde, Rechobot-Ir en Kálach,
11From that land he went forth into Assyria, where he built Nineveh, Rehoboth-Ir, Calah,
12en Résen tussen Ninive en Kálach; dit is de grote stad.
12and Resen, which is between Nineveh and the great city of Calah.
13Egypte bracht de Loedieten voort, de Anamieten, de Lehabieten en de Naftoechieten,
13Mizraim was the father of the Ludites, the Anamites, the Lehabites, the Naphtuhites,
14de Patroesieten en de Kasloechieten, waar de Filistijnen en de Kaftorieten uit voortgekomen zijn.
14the Pathrusites, the Casluhites (from whom the Philistines came), and the Caphtorites.
15Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet;
15And Canaan was the father of Sidon his firstborn, and of the Hittites,
16verder de Jeboesieten, Amorieten en de Girgasjieten,
16the Jebusites, the Amorites, the Girgashites,
17de Chiwwieten, Arkieten en Sinieten,
17the Hivites, the Arkites, the Sinites,
18de Arwadieten, Semarieten en Chamatieten. Later werden de stammen der Kanaänieten verspreid,
18the Arvadites, the Zemarites, and the Hamathites. Later the Canaanite clans were scattered,
19zodat het gebied der Kanaänieten zich uitstrekte van Sidon af in de richting van Gerar tot Gaza toe, en in de richting van Sodoma, Gomorra, Adma en Seboim tot Lésja toe.
19and the borders of Canaan extended from Sidon toward Gerar as far as Gaza, and then toward Sodom, Gomorrah, Admah, and Zeboiim, as far as Lasha.
20Dit zijn de zonen van Cham volgens hun stammen en talen, naar hun landen en volken.
20These are the sons of Ham according to their clans, languages, lands, and nations.
21Ook Sem, den stamvader van de zonen van Eber en oudsten broer van Jáfet, werden kinderen geboren.
21And sons were also born to Shem, the older brother of Japheth; Shem was the forefather of all the sons of Eber.
22De zonen van Sem zijn Elam, Assjoer, Arpaksad, Loed en Aram.
22The sons of Shem: Elam, Asshur, Arphaxad, Lud, and Aram.
23De zonen van Aram zijn Oes, Choel, Géter en Masj.
23The sons of Aram: Uz, Hul, Gether, and Mash.
24Arpaksad verwekte Sála, en Sála weer Eber.
24Arphaxad was the father of Shelah, and Shelah was the father of Eber.
25Eber had twee zonen; de eerste heette Páleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; zijn broer heette Joktan.
25Two sons were born to Eber: One was named Peleg, because in his days the earth was divided, and his brother was named Joktan.
26Joktan verwekte Almodad en Sjélef, Chasarmáwet en Jérach,
26And Joktan was the father of Almodad, Sheleph, Hazarmaveth, Jerah,
27Hadoram, Oezal en Dikla,
27Hadoram, Uzal, Diklah,
28Obal, Abimaël, Sjeba,
28Obal, Abimael, Sheba,
29Ofir, Chawila en Jobab: allen zonen van Joktan.
29Ophir, Havilah, and Jobab. All these were sons of Joktan.
30Zij woonden van Mesja af in de richting van Sefar, een gebergte in het oosten.
30Their territory extended from Mesha to Sephar, in the eastern hill country.
31Dit zijn de zonen van Sem volgens hun stammen en talen, naar hun landen en volken.
31These are the sons of Shem, according to their clans, languages, lands, and nations.
32Dit zijn dan de geslachten van de zonen van Noë naar hun stammen en volken; uit hen zijn de volken voortgekomen, die zich na de zondvloed over de aarde hebben verspreid.
32All these are the clans of Noah’s sons, according to their generations and nations. From these the nations of the earth spread out after the flood.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.