Genesis
Chapter 34
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Berean Standard Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Eens ging Dina, de dochter, die Lea aan Jakob had gebaard, uit, om de meisjes van het land te bezoeken.
1Now Dinah, the daughter Leah had borne to Jacob, went out to visit the daughters of the land.
2Sikem, de zoon van Hemor, den Chiwwiet, en vorst van dat land, zag haar; hij schaakte haar, ging met haar slapen en verkrachtte haar.
2When Shechem son of Hamor the Hivite, the prince of the region, saw her, he took her and lay with her by force.
3Maar daar Sikem zijn hart aan Dina, de dochter van Jakob, had verloren, het meisje beminde en het vriendelijk bejegende,
3And his soul was drawn to Dinah, the daughter of Jacob. He loved the young girl and spoke to her tenderly.
4zei hij tot zijn vader Hemor: Neem mij dat meisje tot vrouw.
4So Shechem told his father Hamor, “Get me this girl as a wife.”
5Nu had Jakob wel gehoord, dat zijn dochter Dina onteerd was; maar omdat zijn zonen met de kudde in het veld waren, hield Jakob zich stil tot hun terugkomst.
5Jacob heard that Shechem had defiled his daughter Dinah, but since his sons were with his livestock in the field, he remained silent about it until they returned.
6Hemor, de vader van Sikem, ging dus naar Jakob, om eens met hem te spreken.
6Meanwhile, Shechem’s father Hamor came to speak with Jacob.
7Intussen waren de zonen van Jakob van het land teruggekeerd. Toen de mannen vernamen, wat er gebeurd was, werden ze verontwaardigd en ontstaken in hevige toorn; door de dochter van Jakob te verkrachten, was er een schanddaad aan Israël begaan. Zo iets was er nog nooit gebeurd.
7When Jacob’s sons heard what had happened, they returned from the field. They were filled with grief and fury, because Shechem had committed an outrage in Israel by lying with Jacob’s daughter—a thing that should not be done.
8Hemor sprak tot hen: Mijn zoon Sikem hangt met heel zijn hart aan uw dochter; geef haar dus aan hem tot vrouw.
8But Hamor said to them, “My son Shechem longs for your daughter. Please give her to him as his wife.
9Laten we onder elkander huwen; geeft uw dochters aan ons, en neemt gij de onzen.
9Intermarry with us; give us your daughters, and take our daughters for yourselves.
10Ge kunt gerust bij ons blijven wonen; het land ligt voor u open. Blijft hier; trekt er rond, of neemt er een vaste woonplaats.
10You may settle among us, and the land will be open to you. Live here, move about freely, and acquire your own property.”
11En Sikem zeide tot haar vader en haar broeders: Als ik genade vind in uw ogen, zal ik u geven, wat gij vraagt.
11Then Shechem said to Dinah’s father and brothers, “Grant me this favor, and I will give you whatever you ask.
12Ge moogt de bruidsprijs en het geschenk verhogen, zoveel ge wilt; ik geef wat ge mij vraagt; maar geeft me het meisje tot vrouw.
12Demand a high dowry and an expensive gift, and I will give you whatever you ask. Only give me the girl as my wife!”
13Toen gaven de zonen van Jakob, wier zuster Dina onteerd was, aan Sikem en aan zijn vader Hemor een listig antwoord.
13But because Shechem had defiled their sister Dinah, Jacob’s sons answered him and his father Hamor deceitfully.
14Ze zeiden: Wij kunnen daar niet op ingaan; we mogen onze zuster niet aan een onbesnedene geven, want dat is een schande voor ons.
14“We cannot do such a thing,” they said. “To give our sister to an uncircumcised man would be a disgrace to us.
15Alleen op deze voorwaarde geven wij u onze toestemming: ge moet alle mannen onder u laten besnijden, zoals wij zijn besneden.
15We will consent to this on one condition, that you become circumcised like us—every one of your males.
16Dan zullen wij u onze dochters geven, en wij de uwe nemen, bij u blijven wonen, en één volk met u vormen.
16Then we will give you our daughters and take your daughters for ourselves. We will dwell among you and become one people.
17Maar wanneer ge hierop niet ingaat, nemen we onze dochters mee en gaan heen.
17But if you will not agree to be circumcised, then we will take our sister and go.”
18Hun voorstel beviel aan Hemor en aan zijn zoon Sikem,
18Their offer seemed good to Hamor and his son Shechem.
19en de jonge man draalde niet, het ten uitvoer te brengen. Want de dochter van Jakob behaagde hem; ook had hij de meeste invloed in de familie.
19The young man, who was the most respected of all his father’s household, did not hesitate to fulfill this request, because he was delighted with Jacob’s daughter.
20Hemor en zijn zoon Sikem gingen dus naar de stadspoort, en spraken tot hun medeburgers:
20So Hamor and his son Shechem went to the gate of their city and addressed the men of their city:
21Deze mannen zijn ons vreedzaam gezind. Zij willen in het land blijven wonen, en er in rondtrekken; want het land biedt hun aan alle kanten ruimte genoeg. Laten wij hun dochters tot vrouw nemen, en de onzen aan hen geven.
21“These men are at peace with us. Let them live and trade in our land; indeed, it is large enough for them. Let us take their daughters in marriage and give our daughters to them.
22Maar alleen onder deze voorwaarde willen die mannen onder ons blijven wonen, en één volk met ons vormen: wij moeten alle mannen onder ons laten besnijden, zoals zij zelf besneden zijn.
22But only on this condition will the men agree to dwell with us and be one people: if all our men are circumcised as they are.
23Dan zal hun bezit, hun have en al hun vee ons eigendom worden. We hoeven slechts op hun voorstel in te gaan, dan blijven ze bij ons.
23Will not their livestock, their possessions, and all their animals become ours? Only let us consent to them, and they will dwell among us.”
24Alle medeburgers van Hemor en zijn zoon Sikem stemden er in toe, en alle mannen van de stad lieten zich besnijden.
24All the men who went out of the city gate listened to Hamor and his son Shechem, and every male of the city was circumcised.
25Maar op de derde dag, toen zij met wondkoorts lagen, grepen Simeon en Levi, de twee zonen van Jakob en broers van Dina, hun zwaard, overvielen de stad, die zich in veiligheid waande en vermoordden alle mannen.
25Three days later, while they were still in pain, two of Jacob’s sons (Dinah’s brothers Simeon and Levi) took their swords, went into the unsuspecting city, and slaughtered every male.
26Ook Hemor en zijn zoon Sikem joegen zij over de kling, haalden Dina uit het huis van Sikem, en trokken af.
26They killed Hamor and his son Shechem with their swords, took Dinah out of Shechem’s house, and went away.
27Nadat de zonen van Jakob zo de zieken hadden overvallen, plunderden ze de stad, omdat men hun zuster had onteerd.
27Jacob’s other sons came upon the slaughter and looted the city, because their sister had been defiled.
28Hun schapen, hun runderen en ezels, met alles wat in de stad was of wat op het land stond, roofden ze weg.
28They took their flocks and herds and donkeys, and everything else in the city or in the field.
29Al hun bezittingen met alle kinderen en vrouwen voerden ze mee, en alles wat in de huizen was, maakten ze buit.
29They carried off all their possessions and women and children, and they plundered everything in their houses.
30Maar Jakob sprak tot Simeon en Levi: Gij stort mij in het ongeluk, door mij in kwade reuk te brengen bij de bewoners van het land, de Kanaänieten en de Perizzieten. Ik heb maar weinig volk; als zij dus tegen mij samenspannen en mij overvallen, word ik met mijn gezin vernietigd.
30Then Jacob said to Simeon and Levi, “You have brought trouble upon me by making me a stench to the Canaanites and Perizzites, the people of this land. We are few in number; if they unite against me and attack me, I and my household will be destroyed.”
31Zij gaven ten antwoord: Mocht hij dan onze zuster als een deerne behandelen?
31But they replied, “Should he have treated our sister like a prostitute?”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.