Genesis 31
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Jakob vernam, dat de zonen van Laban zeiden: Jakob heeft zich meester gemaakt van heel het vermogen van onzen vader, en zich uit de bezittingen van onzen vader al die rijkdom verworven.
1Now Jacob heard that Laban’s sons were saying, “Jacob has taken away all that belonged to our father and built all this wealth at our father’s expense.”
2Ook zag Jakob aan Labans gezicht, dat hij hem niet meer zo gunstig gezind was als vroeger.
2And Jacob saw from the countenance of Laban that his attitude toward him had changed.
3Daarenboven sprak Jahweh tot Jakob: Keer terug naar het land uwer vaderen en naar uw familie; Ik zal u bijstaan.
3Then the LORD said to Jacob, “Go back to the land of your fathers and to your kindred, and I will be with you.”
4Toen zond Jakob een boodschap naar Rachel en Lea, en liet haar naar het veld bij zijn kudde roepen.
4So Jacob sent word and called Rachel and Leah to the field where his flocks were,
5Hij zeide tot haar: Ik zie, dat uw vader mij niet meer zo gunstig gezind is als vroeger; maar de God van mijn vader staat mij bij.
5and he told them, “I can see from your father’s countenance that his attitude toward me has changed; but the God of my father has been with me.
6Gij weet zelf, dat ik naar best vermogen uw vader gediend heb,
6You know that I have served your father with all my strength.
7ofschoon uw vader mij heeft bedrogen, en wel tienmaal mijn loon heeft gewijzigd. Maar God stond hem niet toe, mij te benadelen.
7And although he has cheated me and changed my wages ten times, God has not allowed him to harm me.
8Wanneer hij zeide: de gevlekte dieren zullen uw loon zijn, wierp de hele kudde gevlekte jongen. En als hij zeide: de gestreepte dieren zullen uw loon zijn, wierp de hele kudde gestreepte.
8If he said, ‘The speckled will be your wages,’ then the whole flock bore speckled offspring. If he said, ‘The streaked will be your wages,’ then the whole flock bore streaked offspring.
9Zo ontnam God aan uw vader wat hij bezat, en gaf het aan mij.
9Thus God has taken away your father’s livestock and given them to me.
10Ook gebeurde het eens in de bronstijd der kudde, dat ik in een droom mijn ogen opsloeg en zag, hoe de gestreepte, gespikkelde en gevlekte bokken de geiten besprongen.
10When the flocks were breeding, I saw in a dream that the streaked, spotted, and speckled males were mating with the females.
11En de engel van Jahweh sprak tot mij in de droom: Jakob! Ik antwoordde: Hier ben ik!
11In that dream the angel of God said to me, ‘Jacob!’ And I replied, ‘Here I am.’
12Hij sprak: Sla uw ogen op en zie, hoe alle bokken, die de geiten bespringen, gestreept, gespikkeld of gevlekt zijn. Want Ik heb alles gezien, wat Laban u aandoet.
12‘Look up,’ he said, ‘and see that all the males that are mating with the flock are streaked, spotted, or speckled; for I have seen all that Laban has done to you.
13Ik ben de God van Betel, waar gij de gedenksteen hebt gezalfd, en Mij een gelofte hebt gedaan. Maak u nu gereed, om uit dit land te vertrekken en terug te keren naar uw geboortegrond.
13I am the God of Bethel, where you anointed the pillar and made a solemn vow to Me. Now get up and leave this land at once, and return to your native land.’”
14Rachel en Lea antwoordden hem: Hebben we soms nog deel of erfenis in het huis van onzen vader?
14And Rachel and Leah replied, “Do we have any portion or inheritance left in our father’s house?
15Zijn we door hem niet als vreemden beschouwd. Ja, hij heeft ons verkocht, en bovendien onze bruidsprijs verteerd.
15Are we not regarded by him as outsiders? Not only has he sold us, but he has certainly squandered what was paid for us.
16Waarachtig, heel het vermogen, dat God onzen vader heeft ontnomen, behoort aan ons en onze kinderen. Doe dus alles wat God u gezegd heeft.
16Surely all the wealth that God has taken away from our father belongs to us and to our children. So do whatever God has told you.”
17Toen stond Jakob op, zette zijn zonen en vrouwen op kamelen,
17Then Jacob got up and put his children and his wives on camels,
18en voerde zijn vee en al zijn have, die hij bezat, en heel het vermogen, dat hij in Paddan-Aram had verworven, met zich mee, om naar zijn vader Isaäk in het land Kanaän te vertrekken.
18and he drove all his livestock before him, along with all the possessions he had acquired in Paddan-aram, to go to his father Isaac in the land in Canaan.
19En terwijl Laban afwezig was, om zijn schapen te scheren, stal Rachel de terafim van haar vader.
19Now while Laban was out shearing his sheep, Rachel stole her father’s household idols.
20Jakob bedroog Laban, den Arameër, door zijn vlucht voor hem verborgen te houden.
20Moreover, Jacob deceived Laban the Aramean by not telling him that he was running away.
21Zo nam hij de wijk met alles, wat hij bezat, stak de rivier over, en sloeg de weg in naar het gebergte van Gilad.
21So he fled with all his possessions, crossed the Euphrates, and headed for the hill country of Gilead.
22Op de derde dag kwam men Laban boodschappen, dat Jakob de vlucht had genomen.
22On the third day Laban was informed that Jacob had fled.
23Aanstonds verzamelde hij zijn verwanten, zette hem zeven dagen lang achterna, en haalde hem bij het gebergte van Gilad in.
23So he took his relatives with him, pursued Jacob for seven days, and overtook him in the hill country of Gilead.
24Maar die nacht verscheen God in een droom aan Laban, den Arameër, en sprak tot hem: Pas er voor op, Jakob ook maar iets te verwijten.
24But that night God came to Laban the Aramean in a dream and warned him, “Be careful not to say anything to Jacob, either good or bad.”
25Laban had Jakob ingehaald, toen deze zijn tent had gespannen in het gebergte: en nadat ook Laban zijn tent in het gebergte Gilad had opgeslagen,
25Now Jacob had pitched his tent in the hill country of Gilead when Laban overtook him, and Laban and his relatives camped there as well.
26zei Laban tot Jakob: Wat hebt ge gedaan, met mij zo te bedriegen en mijn dochters weg te slepen, als waren ze geroofd met het zwaard in de vuist?
26Then Laban said to Jacob, “What have you done? You have deceived me and carried off my daughters like captives of war!
27Waarom zijt ge heimelijk gevlucht; waarom hebt ge mij misleid, en mij niets laten weten? Ik zou u uitgeleide hebben gedaan onder jubel en gezang, met tamboerijn en harp.
27Why did you run away secretly and deceive me, without even telling me? I would have sent you away with joy and singing, with tambourines and harps.
28Ge hebt me zelfs belet, om mijn zonen en dochters vaarwel te kussen. Hoe dom hebt ge gedaan!
28But you did not even let me kiss my grandchildren and my daughters goodbye. Now you have done a foolish thing.
29Ik heb het in mijn hand, u kwaad te doen; maar de God van uw vader zeide deze nacht tot mij: Pas er voor op, Jakob ook maar iets te verwijten.
29I have power to do you great harm, but last night the God of your father said to me, ‘Be careful not to say anything to Jacob, either good or bad.’
30Maar als ge zijt heengegaan, enkel omdat ge zo vurig naar uw vaderlijk huis verlangt, waarom hebt ge dan mijn goden gestolen? Toen gaf Jakob Laban ten antwoord:
30Now you have gone off because you long for your father’s house. But why have you stolen my gods?”
31Omdat ik bang was en dacht, dat gij mij anders met geweld uw dochters zoudt ontnemen.
31“I was afraid,” Jacob answered, “for I thought you would take your daughters from me by force.
32Maar hij, bij wien gij uw goden vindt, blijft niet in leven! Onderzoek dus in tegenwoordigheid van onze verwanten, wat er van u bij mij wordt gevonden, en neem dat mee. Want Jakob wist niet, dat Rachel ze gestolen had.
32If you find your gods with anyone here, he shall not live! In the presence of our relatives, see for yourself if anything is yours, and take it back.” For Jacob did not know that Rachel had stolen the idols.
33Laban ging dus de tent van Jakob binnen, en daarna de tenten van Lea en van de beide slavinnen, maar hij vond niets. Uit de tent van Lea gekomen, ging hij de tent van Rachel binnen.
33So Laban went into Jacob’s tent, then Leah’s tent, and then the tents of the two maidservants, but he found nothing. Then he left Leah’s tent and entered Rachel’s tent.
34Maar Rachel had de terafim weggenomen, ze in het zadel van haar kameel verstopt, en was er op gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent, maar vond niets.
34Now Rachel had taken Laban’s household idols, put them in the saddlebag of her camel, and was sitting on them. And Laban searched everything in the tent but found nothing.
35Want ze zei tot haar vader: Mijn heer neme het mij niet kwalijk, dat ik niet voor u kan opstaan; want het gaat me naar de wijze der vrouwen. Hoe hij ook zocht, hij vond de terafim niet.
35Rachel said to her father, “Sir, do not be angry that I cannot stand up before you; for I am having my period.” So Laban searched, but could not find the household idols.
36Toen ontstak Jakob in toorn, en beet Laban nijdig toe: Wat is eigenlijk mijn vergrijp en mijn misdaad, dat ge me zo verwoed achtervolgt,
36Then Jacob became incensed and challenged Laban. “What is my crime?” he said. “For what sin of mine have you so hotly pursued me?
37en heel mijn hebben en houden doorsnuffelt? Hebt ge soms iets van uw eigen huisraad gevonden? Leg het dan neer voor mijn en uw verwanten, en laten zij tussen ons beiden beslissen.
37You have searched all my goods! Have you found anything that belongs to you? Put it here before my brothers and yours, that they may judge between the two of us.
38Twintig jaar lang ben ik bij u geweest. Uw schapen en geiten hebben geen misdracht gehad, de rammen van uw kudden heb ik niet opgegeten.
38I have been with you for twenty years now. Your sheep and goats have not miscarried, nor have I eaten the rams of your flock.
39Wat door wilde dieren verscheurd werd, heb ik op u niet verhaald, maar het telkens vergoed. Van mij hebt ge terug durven eisen, wat mij des daags of des nachts werd ontstolen.
39I did not bring you anything torn by wild beasts; I bore the loss myself. And you demanded payment from me for what was stolen by day or night.
40Overdag verging ik van hitte en van koude des nachts, en de slaap vluchtte weg van mijn ogen.
40As it was, the heat consumed me by day and the frost by night, and sleep fled from my eyes.
41Twintig jaar lang ben ik nu in uw huis; veertien jaar diende ik u om uw twee dochters, zes jaar om uw kudde, en mijn loon hebt ge wel tienmaal veranderd.
41Thus for twenty years I have served in your household—fourteen years for your two daughters and six years for your flocks—and you have changed my wages ten times!
42Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de Gevreesde van Isaäk, mij niet had geholpen, dan hadt ge me nu met lege handen laten gaan. Maar God heeft mijn ellende en mijn moeizame arbeid gezien, en in de afgelopen nacht heeft Hij vonnis gewezen.
42If the God of my father, the God of Abraham and the Fear of Isaac, had not been with me, surely by now you would have sent me away empty-handed. But God has seen my affliction and the toil of my hands, and last night He rendered judgment.”
43Toen nam Laban het woord, en zeide tot Jakob: Het zijn mijn eigen dochters en zonen, het is mijn eigen vee, en alles wat gij hier ziet, is van mij. Hoe zou ik dan nu mijn eigen dochters leed kunnen doen, of haar zonen, die zij hebben gebaard?
43But Laban answered Jacob, “These daughters are my daughters, these sons are my sons, and these flocks are my flocks! Everything you see is mine! Yet what can I do today about these daughters of mine or the children they have borne?
44Kom, laten we liever een verbond met elkaar sluiten; en al is er ook niemand anders bij, zie God zal getuige zijn tussen mij en u.
44Come now, let us make a covenant, you and I, and let it serve as a witness between you and me.”
45Toen nam Jakob een steen, en richtte die als gedenkteken op.
45So Jacob picked out a stone and set it up as a pillar,
46En Jakob sprak tot zijn verwanten: Raapt stenen bijeen. Ze verzamelden dus stenen, maakten een steenhoop, en hielden daar op die steenhoop een maaltijd.
46and he said to his relatives, “Gather some stones.” So they took stones and made a mound, and there by the mound they ate.
47Laban noemde hem Jegar-Sahadoeta, en Jakob noemde hem Gal-Ed.
47Laban called it Jegar-sahadutha, and Jacob called it Galeed.
48Nu sprak Laban: Deze steenhoop zij heden een getuige tussen mij en u. Daarom noemde hij hem Gal-Ed
48Then Laban declared, “This mound is a witness between you and me this day.” Therefore the place was called Galeed.
49en Mispa. Want hij ging voort: Jahweh zij de Wacht tussen mij en u, wanneer we ons van elkander hebben gescheiden:
49It was also called Mizpah, because Laban said, “May the LORD keep watch between you and me when we are absent from each other.
50“Ge zult mijn dochters nooit mishandelen, en geen andere vrouwen nemen buiten mijn dochters”. En al is er ook niemand bij, zie, God is getuige tussen mij en u.
50If you mistreat my daughters or take other wives, although no one is with us, remember that God is a witness between you and me.”
51En Laban vervolgde tot Jakob: Zie deze steenhoop en deze gedenksteen, die ik heb opgericht, staan tussen ons in.
51Laban also said to Jacob, “Here is the mound, and here is the pillar I have set up between you and me.
52Deze steenhoop is getuige, en getuige is ook deze gedenksteen: “Ik zal nooit voorbij deze steenhoop met kwade bedoelingen naar u toe komen, en gij voorbij deze steenhoop en deze gedenksteen niet naar mij!
52This mound is a witness, and this pillar is a witness, that I will not go past this mound to harm you, and you will not go past this mound and pillar to harm me.
53De God van Abraham, en de God van Nachor moge oordelen tussen ons beiden”. En Jakob zwoer het bij den Gevreesde van Isaäk, zijn vader.
53May the God of Abraham and the God of Nahor, the God of their father, judge between us.” So Jacob swore by the Fear of his father Isaac.
54Nu slachtte Jakob een offerande op de berg, en nodigde zijn verwanten tot de maaltijd uit; en nadat zij hadden gegeten, bleven ze op de berg overnachten.
54Then Jacob offered a sacrifice on the mountain and invited his relatives to eat a meal. And after they had eaten, they spent the night on the mountain.
55De volgende morgen brak Laban op, kuste zijn zonen en dochters vaarwel, zegende hen en ging heen, om naar zijn woonplaats terug te keren.
55Early the next morning, Laban got up and kissed his grandchildren and daughters and blessed them. Then he left to return home.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.