Genesis 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Toen Abram negen en negentig jaar oud was, verscheen Jahweh hem, en sprak tot hem: Ik ben God, de Almachtige: Wandel voor mijn aanschijn, en wees volmaakt!
1When Abram was ninety-nine years old, the LORD appeared to him and said, “I am God Almighty. Walk before Me and be blameless.
2Dan zal Ik mijn Verbond sluiten tussen Mij en u, En u talrijk maken uitermate.
2I will establish My covenant between Me and you, and I will multiply you exceedingly.”
3Toen viel Abram op zijn aangezicht neer, en God sprak tot hem:
3Then Abram fell facedown, and God said to him,
4Zie, dat is van mijn kant het Verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken!
4“As for Me, this is My covenant with you: You will be the father of many nations.
5Niet langer zal men u Abram noemen, Maar uw naam zal Abraham zijn: Want Ik maak u tot vader van een menigte volken.
5No longer will you be called Abram, but your name will be Abraham, for I have made you a father of many nations.
6Zeer vruchtbaar zal Ik u maken: Ik zal u tot volken doen groeien, En koningen zullen uit u voortspruiten.
6I will make you exceedingly fruitful; I will make nations of you, and kings will descend from you.
7Ik zal mijn Verbond gestand doen tussen Mij en u, En uw zaad na u, Van geslacht tot geslacht, als een eeuwig Verbond: Uw God zal Ik zijn, en van uw kroost na u!
7I will establish My covenant as an everlasting covenant between Me and you and your descendants after you, to be your God and the God of your descendants after you.
8Ik schenk u, en uw zaad na u Het land, waar ge thans als vreemdeling toeft, Het hele land Kanaän, tot een eeuwig bezit: Hun God zal Ik zijn.
8And to you and your descendants I will give the land where you are residing—all the land of Canaan—as an eternal possession; and I will be their God.”
9Nog sprak God tot Abraham: Maar gij van úw kant moet mijn Verbond onderhouden, Gij en uw nazaat van geslacht tot geslacht.
9God also said to Abraham, “You must keep My covenant—you and your descendants in the generations after you.
10Dit is mijn Verbond, dat gij moet onderhouden, Tussen Mij en tussen u, en uw kinderen na u: Al wat man onder u is, moet worden besneden,
10This is My covenant with you and your descendants after you, which you are to keep: Every male among you must be circumcised.
11Het vlees van uw voorhuid moet ge laten besnijden: Dat zal het teken zijn van het Verbond Tussen Mij en tussen u.
11You are to circumcise the flesh of your foreskin, and this will be a sign of the covenant between Me and you.
12Ieder mannelijk kind onder u, dat acht dagen oud is, Moet worden besneden, van geslacht tot geslacht; Ook de slaaf, die in uw huis is geboren, Of van vreemden voor geld is gekocht, En niet tot uw nazaten hoort:
12Generation after generation, every male must be circumcised when he is eight days old, including those born in your household and those purchased from a foreigner—even those who are not your offspring.
13Ook zij moeten worden besneden, Die in uw huis zijn geboren, Of voor geld zijn gekocht. Zo zal mijn verbond in uw vlees Tot een eeuwig Verbond zijn!
13Whether they are born in your household or purchased, they must be circumcised. My covenant in your flesh will be an everlasting covenant.
14Maar de man, die onbesneden zal zijn, Wien het vlees van de voorhuid niet is besneden, Die man zal uitgeroeid worden uit zijn volk, Omdat hij mijn Verbond heeft verbroken.
14But if any male is not circumcised, he will be cut off from his people; he has broken My covenant.”
15Nog sprak God tot Abraham: Sarai, uw vrouw, zal geen Sarai meer heten, Maar Sara zal zij worden genoemd.
15Then God said to Abraham, “As for Sarai your wife, do not call her Sarai, for her name is to be Sarah.
16Ik zal haar zegenen, En ook uit háár een zoon u schenken; Haar zegenen, zodat zij tot volken zal worden, En koningen van volken uit haar zullen voortspruiten!
16And I will bless her and will surely give you a son by her. I will bless her, and she will be the mother of nations; kings of peoples will descend from her.”
17Toen viel Abraham op zijn aangezicht neer, en lachte; want hij dacht bij zich zelf: kan dan een honderdjarige nog een zoon worden geboren, en kan Sara nog baren, ofschoon zij negentig jaar oud is?
17Abraham fell facedown. Then he laughed and said to himself, “Can a child be born to a man who is a hundred years old? Can Sarah give birth at the age of ninety?”
18Daarom zei Abraham tot God: Moge Jisjmaël voor uw aanschijn leven.
18And Abraham said to God, “O that Ishmael might live under Your blessing!”
19Toen sprak God: Neen: Sara uw vrouw zal u een zoon baren, En Isaäk zult ge hem noemen. Met hem zal Ik mijn Verbond gestand doen voor eeuwig: Zijn God zal Ik zijn, en van zijn kinderen na hem.
19But God replied, “Your wife Sarah will indeed bear you a son, and you are to name him Isaac. I will establish My covenant with him as an everlasting covenant for his descendants after him.
20Ook aangaande Jisjmaël heb Ik u verhoord: Ik zal hem zegenen, vruchtbaar maken, zeer talrijk doen zijn: Twaalf vorsten zal hij verwekken, En een groot volk zal Ik hem maken.
20As for Ishmael, I have heard you, and I will surely bless him; I will make him fruitful and multiply him greatly. He will become the father of twelve rulers, and I will make him into a great nation.
21Maar mijn Verbond doe Ik aan Isaäk gestand, Dien Sara u zal baren op deze tijd van het volgende jaar.
21But I will establish My covenant with Isaac, whom Sarah will bear to you at this time next year.”
22Toen brak God zijn gesprek met hem af, en steeg op van Abraham weg.
22When He had finished speaking with Abraham, God went up from him.
23Nu nam Abraham zijn zoon Jisjmaël, en alle mannelijke huisgenoten, die bij hem in huis waren geboren of die hij voor geld had gekocht, en besneed nog op diezelfde dag het vlees van hun voorhuid, zoals God hem gezegd had.
23On that very day Abraham took his son Ishmael and all those born in his household or purchased with his money—every male among the members of Abraham’s household—and he circumcised them, just as God had told him.
24Abraham was negen en negentig jaar oud, toen zijn voorhuid besneden werd;
24So Abraham was ninety-nine years old when he was circumcised,
25zijn zoon Jisjmaël was dertien jaar oud, toen zijn voorhuid besneden werd.
25and his son Ishmael was thirteen;
26Op dezelfde dag werden Abraham en zijn zoon Jisjmaël besneden;
26Abraham and his son Ishmael were circumcised on the same day.
27en al de mannelijke huisgenoten, die in zijn huis waren geboren of die hij van vreemden voor geld had gekocht, werden met hem besneden.
27And all the men of Abraham’s household—both servants born in his household and those purchased from foreigners—were circumcised with him.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.