Genesis 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen Abram negen en negentig jaar oud was, verscheen Jahweh hem, en sprak tot hem: Ik ben God, de Almachtige: Wandel voor mijn aanschijn, en wees volmaakt!
1Postquam vero nonaginta et novem annorum esse cœperat, apparuit ei Dominus, dixitque ad eum: Ego Deus omnipotens: ambula coram me, et esto perfectus.
2Dan zal Ik mijn Verbond sluiten tussen Mij en u, En u talrijk maken uitermate.
2Ponamque fœdus meum inter me et te, et multiplicabo te vehementer nimis.
3Toen viel Abram op zijn aangezicht neer, en God sprak tot hem:
3Cecidit Abram pronus in faciem.
4Zie, dat is van mijn kant het Verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken!
4Dixitque ei Deus: Ego sum, et pactum meum tecum, erisque pater multarum gentium.
5Niet langer zal men u Abram noemen, Maar uw naam zal Abraham zijn: Want Ik maak u tot vader van een menigte volken.
5Nec ultra vocabitur nomen tuum Abram, sed appellaberis Abraham: quia patrem multarum gentium constitui te.
6Zeer vruchtbaar zal Ik u maken: Ik zal u tot volken doen groeien, En koningen zullen uit u voortspruiten.
6Faciamque te crescere vehementissime, et ponam te in gentibus, regesque ex te egredientur.
7Ik zal mijn Verbond gestand doen tussen Mij en u, En uw zaad na u, Van geslacht tot geslacht, als een eeuwig Verbond: Uw God zal Ik zijn, en van uw kroost na u!
7Et statuam pactum meum inter me et te, et inter semen tuum post te in generationibus suis, fœdere sempiterno: ut sim Deus tuus, et seminis tui post te.
8Ik schenk u, en uw zaad na u Het land, waar ge thans als vreemdeling toeft, Het hele land Kanaän, tot een eeuwig bezit: Hun God zal Ik zijn.
8Daboque tibi et semini tuo terram peregrinationis tuæ, omnem terram Chanaan in possessionem æternam, eroque Deus eorum.
9Nog sprak God tot Abraham: Maar gij van úw kant moet mijn Verbond onderhouden, Gij en uw nazaat van geslacht tot geslacht.
9Dixit iterum Deus ad Abraham: Et tu ergo custodies pactum meum, et semen tuum post te in generationibus suis.
10Dit is mijn Verbond, dat gij moet onderhouden, Tussen Mij en tussen u, en uw kinderen na u: Al wat man onder u is, moet worden besneden,
10Hoc est pactum meum quod observabitis inter me et vos, et semen tuum post te: circumcidetur ex vobis omne masculinum:
11Het vlees van uw voorhuid moet ge laten besnijden: Dat zal het teken zijn van het Verbond Tussen Mij en tussen u.
11et circumcidetis carnem præputii vestri, ut sit in signum fœderis inter me et vos.
12Ieder mannelijk kind onder u, dat acht dagen oud is, Moet worden besneden, van geslacht tot geslacht; Ook de slaaf, die in uw huis is geboren, Of van vreemden voor geld is gekocht, En niet tot uw nazaten hoort:
12Infans octo dierum circumcidetur in vobis, omne masculinum in generationibus vestris: tam vernaculus, quam emptitius circumcidetur, et quicumque non fuerit de stirpe vestra:
13Ook zij moeten worden besneden, Die in uw huis zijn geboren, Of voor geld zijn gekocht. Zo zal mijn verbond in uw vlees Tot een eeuwig Verbond zijn!
13eritque pactum meum in carne vestra in fœdus æternum.
14Maar de man, die onbesneden zal zijn, Wien het vlees van de voorhuid niet is besneden, Die man zal uitgeroeid worden uit zijn volk, Omdat hij mijn Verbond heeft verbroken.
14Masculus, cujus præputii caro circumcisa non fuerit, delebitur anima illa de populo suo: quia pactum meum irritum fecit.
15Nog sprak God tot Abraham: Sarai, uw vrouw, zal geen Sarai meer heten, Maar Sara zal zij worden genoemd.
15Dixit quoque Deus ad Abraham: Sarai uxorem tuam non vocabis Sarai, sed Saram.
16Ik zal haar zegenen, En ook uit háár een zoon u schenken; Haar zegenen, zodat zij tot volken zal worden, En koningen van volken uit haar zullen voortspruiten!
16Et benedicam ei, et ex illa dabo tibi filium cui benedicturus sum: eritque in nationes, et reges populorum orientur ex eo.
17Toen viel Abraham op zijn aangezicht neer, en lachte; want hij dacht bij zich zelf: kan dan een honderdjarige nog een zoon worden geboren, en kan Sara nog baren, ofschoon zij negentig jaar oud is?
17Cecidit Abraham in faciem suam, et risit, dicens in corde suo: Putasne centenario nascetur filius? et Sara nonagenaria pariet?
18Daarom zei Abraham tot God: Moge Jisjmaël voor uw aanschijn leven.
18Dixitque ad Deum: Utinam Ismaël vivat coram te.
19Toen sprak God: Neen: Sara uw vrouw zal u een zoon baren, En Isaäk zult ge hem noemen. Met hem zal Ik mijn Verbond gestand doen voor eeuwig: Zijn God zal Ik zijn, en van zijn kinderen na hem.
19Et ait Deus ad Abraham: Sara uxor tua pariet tibi filium, vocabisque nomen ejus Isaac, et constituam pactum meum illi in fœdus sempiternum, et semini ejus post eum.
20Ook aangaande Jisjmaël heb Ik u verhoord: Ik zal hem zegenen, vruchtbaar maken, zeer talrijk doen zijn: Twaalf vorsten zal hij verwekken, En een groot volk zal Ik hem maken.
20Super Ismaël quoque exaudivi te: ecce, benedicam ei, et augebo, et multiplicabo eum valde: duodecim duces generabit, et faciam illum in gentem magnam.
21Maar mijn Verbond doe Ik aan Isaäk gestand, Dien Sara u zal baren op deze tijd van het volgende jaar.
21Pactum vero meum statuam ad Isaac, quem pariet tibi Sara tempore isto in anno altero.
22Toen brak God zijn gesprek met hem af, en steeg op van Abraham weg.
22Cumque finitus esset sermo loquentis cum eo, ascendit Deus ab Abraham.
23Nu nam Abraham zijn zoon Jisjmaël, en alle mannelijke huisgenoten, die bij hem in huis waren geboren of die hij voor geld had gekocht, en besneed nog op diezelfde dag het vlees van hun voorhuid, zoals God hem gezegd had.
23Tulit autem Abraham Ismaël filium suum, et omnes vernaculos domus suæ, universosque quos emerat, cunctos mares ex omnibus viris domus suæ: et circumcidit carnem præputii eorum statim in ipsa die, sicut præceperat ei Deus.
24Abraham was negen en negentig jaar oud, toen zijn voorhuid besneden werd;
24Abraham nonaginta et novem erat annorum quando circumcidit carnem præputii sui.
25zijn zoon Jisjmaël was dertien jaar oud, toen zijn voorhuid besneden werd.
25Et Ismaël filius tredecim annos impleverat tempore circumcisionis suæ.
26Op dezelfde dag werden Abraham en zijn zoon Jisjmaël besneden;
26Eadem die circumcisus est Abraham et Ismaël filius ejus:
27en al de mannelijke huisgenoten, die in zijn huis waren geboren of die hij van vreemden voor geld had gekocht, werden met hem besneden.
27et omnes viri domus illius, tam vernaculi, quam emptitii et alienigenæ pariter circumcisi sunt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.