Genesis
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Nog sprak heel de aarde eenzelfde taal en dezelfde woorden.
1Erat autem terra labii unius, et sermonum eorumdem.
2Toen men uit het oosten was opgetrokken, en een vlakte in het land Sjinar had gevonden, bleef men daar wonen.
2Cumque proficiscerentur de oriente, invenerunt campum in terra Sennaar, et habitaverunt in eo.
3Nu zeiden ze tot elkander: Komt, laten we stenen maken, en ze hard bakken in vuur. Die tichels moesten hun tot bouwsteen dienen, de asfalt tot mortel.
3Dixitque alter ad proximum suum: Venite, faciamus lateres, et coquamus eos igni. Habueruntque lateres pro saxis, et bitumen pro cæmento:
4Later zeiden ze weer: Komt, laten we ons een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan maken we ons een herkenningsteken, zodat we niet over heel de aarde worden verstrooid.
4et dixerunt: Venite, faciamus nobis civitatem et turrim, cujus culmen pertingat ad cælum: et celebremus nomen nostrum antequam dividamur in universas terras.
5Maar Jahweh daalde neer, om de stad en de toren eens te bezien, die de mensenkinderen bouwden.
5Descendit autem Dominus ut videret civitatem et turrim, quam ædificabant filii Adam,
6Want Jahweh sprak: Zie, zij vormen één volk en spreken één taal. En dit is nog maar het begin van hun doen; later zal men niets meer kunnen beletten van al wat zij van plan zijn.
6et dixit: Ecce, unus est populus, et unum labium omnibus: cœperuntque hoc facere, nec desistent a cogitationibus suis, donec eas opere compleant.
7Kom, laat ons afdalen, en daar beneden hun spraak in verwarring brengen, zodat zij elkanders taal niet meer verstaan.
7Venite igitur, descendamus, et confundamus ibi linguam eorum, ut non audiat unusquisque vocem proximi sui.
8Zo verstrooide Jahweh hen over de hele aarde, en staakten zij de bouw der stad.
8Atque ita divisit eos Dominus ex illo loco in universas terras, et cessaverunt ædificare civitatem.
9Daarom noemt men haar Babel, omdat Jahweh daar de spraak van de hele aarde in verwarring heeft gebracht, en omdat Jahweh hen vandaar over de hele aarde heeft verstrooid.
9Et idcirco vocatum est nomen ejus Babel, quia ibi confusum est labium universæ terræ: et inde dispersit eos Dominus super faciem cunctarum regionum.
10Dit is de geslachtslijst van Sem. Sem was honderd jaar oud, toen hij Arpaksad verwekte, twee jaar na de zondvloed.
10Hæ sunt generationes Sem: Sem erat centum annorum quando genuit Arphaxad, biennio post diluvium.
11En Sem leefde, nadat hij Arpaksad verwekt had, nog vijfhonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
11Vixitque Sem, postquam genuit Arphaxad, quingentis annis: et genuit filios et filias.
12Arpaksad was vijf en dertig jaar oud, toen hij Sála verwekte.
12Porro Arphaxad vixit triginta quinque annis, et genuit Sale.
13Arpaksad leefde, nadat hij Sála verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
13Vixitque Arphaxad, postquam genuit Sale, trecentis tribus annis: et genuit filios et filias.
14Sála was dertig jaar oud, toen hij Eber verwekte.
14Sale quoque vixit triginta annis, et genuit Heber.
15En Sála leefde, nadat hij Eber verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
15Vixitque Sale, postquam genuit Heber, quadringentis tribus annis: et genuit filios et filias.
16Eber was vier en dertig jaar oud, toen hij Páleg verwekte.
16Vixit autem Heber triginta quatuor annis, et genuit Phaleg.
17Eber leefde, nadat hij Páleg verwekt had, nog vierhonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
17Et vixit Heber postquam genuit Phaleg, quadringentis triginta annis: et genuit filios et filias.
18Páleg was dertig jaar, toen hij Ragaoe verwekte.
18Vixit quoque Phaleg triginta annis, et genuit Reu.
19En Páleg leefde, nadat hij Ragaoe verwekt had, nog tweehonderd negen jaar, en verwekte zonen en dochters.
19Vixitque Phaleg, postquam genuit Reu, ducentis novem annis: et genuit filios et filias.
20Ragaoe was twee en dertig jaar oud, toen hij Seroeg verwekte.
20Vixit autem Reu triginta duobus annis, et genuit Sarug.
21En Ragaoe leefde, nadat hij Seroeg verwekt had, nog tweehonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters.
21Vixit quoque Reu, postquam genuit Sarug, ducentis septem annis: et genuit filios et filias.
22Seroeg was dertig jaar oud, toen hij Nachor verwekte.
22Vixit vero Sarug triginta annis, et genuit Nachor.
23En Seroeg leefde, nadat hij Nachor verwekt had, nog tweehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
23Vixitque Sarug, postquam genuit Nachor, ducentis annis: et genuit filios et filias.
24Nachor was negen en twintig jaar oud, toen hij Tara verwekte.
24Vixit autem Nachor viginti novem annis, et genuit Thare.
25En Nachor leefde, nadat hij Tara verwekt had, nog honderd negentien jaar, en verwekte zonen en dochters.
25Vixitque Nachor, postquam genuit Thare, centum decem et novem annis: et genuit filios et filias.
26Tara was zeventig jaar oud, toen hij Abram, Nachor en Haran verwekte.
26Vixitque Thare septuaginta annis, et genuit Abram, et Nachor, et Aran.
27En dit is de geslachtslijst van Tara. Tara verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot.
27Hæ sunt autem generationes Thare: Thare genuit Abram, Nachor et Aran. Porro Aran genuit Lot.
28Haran stierf nog bij het leven van Tara, zijn vader, in zijn geboorteland, in Oer der Chaldeën.
28Mortuusque est Aran ante Thare patrem suum, in terra nativitatis suæ, in Ur Chaldæorum.
29Abram en Nachor waren beiden getrouwd. De vrouw van Abram heette Sarai; de vrouw van Nachor heette Milka, en was de dochter van Haran, den vader van Milka en Jiska.
29Duxerunt autem Abram et Nachor uxores: nomen uxoris Abram, Sarai: et nomen uxoris Nachor, Melcha filia Aran, patris Melchæ, et patris Jeschæ.
30Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen.
30Erat autem Sarai sterilis, nec habebat liberos.
31Tara nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, den zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, en voerde ze weg uit Oer der Chaldeën, om naar het land Kanaän te trekken. Maar eenmaal in Charan gekomen, bleven zij daar wonen.
31Tulit itaque Thare Abram filium suum, et Lot filium Aran, filium filii sui, et Sarai nurum suam, uxorem Abram filii sui, et eduxit eos de Ur Chaldæorum, ut irent in terram Chanaan: veneruntque usque Haran, et habitaverunt ibi.
32Tara werd tweehonderd vijf jaar oud, en stierf in Charan.
32Et facti sunt dies Thare ducentorum quinque annorum, et mortuus est in Haran.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.