Genesis
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Nog sprak heel de aarde eenzelfde taal en dezelfde woorden.
1OR tutta la terra era d'una favella e di un linguaggio.
2Toen men uit het oosten was opgetrokken, en een vlakte in het land Sjinar had gevonden, bleef men daar wonen.
2Ed avvenne che, partendosi gli uomini di Oriente, trovarono una pianura nel paese di Sinear, e quivi si posarono.
3Nu zeiden ze tot elkander: Komt, laten we stenen maken, en ze hard bakken in vuur. Die tichels moesten hun tot bouwsteen dienen, de asfalt tot mortel.
3E dissero l'uno all'altro: Or su, facciamo de' mattoni, e cociamoli col fuoco. I mattoni adunque furono loro in vece di pietre, e il bitume in vece di malta.
4Later zeiden ze weer: Komt, laten we ons een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan maken we ons een herkenningsteken, zodat we niet over heel de aarde worden verstrooid.
4Poi dissero: Or su, edifichiamoci una città, ed una torre, la cui sommità giunga fino al cielo, ed acquistiamoci fama; che talora noi non siamo dispersi sopra la faccia di tutta la terra.
5Maar Jahweh daalde neer, om de stad en de toren eens te bezien, die de mensenkinderen bouwden.
5E il Signore discese, per veder la città e la torre che i figliuoli degli uomini edificavano.
6Want Jahweh sprak: Zie, zij vormen één volk en spreken één taal. En dit is nog maar het begin van hun doen; later zal men niets meer kunnen beletten van al wat zij van plan zijn.
6E il Signore disse: Ecco un medesimo popolo, ed essi tutti hanno un medesimo linguaggio, e questo è il cominciamento del lor lavoro, ed ora tutto ciò che hanno disegnato di fare, non sarà loro divietato.
7Kom, laat ons afdalen, en daar beneden hun spraak in verwarring brengen, zodat zij elkanders taal niet meer verstaan.
7Or su, scendiamo e confondiamo ivi la lor favella; acciocchè l'uno non intenda la favella dell'altro.
8Zo verstrooide Jahweh hen over de hele aarde, en staakten zij de bouw der stad.
8E il Signore li disperse di là sopra la faccia di tutta la terra; ed essi cessarono di edificar la città.
9Daarom noemt men haar Babel, omdat Jahweh daar de spraak van de hele aarde in verwarring heeft gebracht, en omdat Jahweh hen vandaar over de hele aarde heeft verstrooid.
9Perciò essa fu nominata Babilonia; perciocchè il Signore confuse quivi la favella di tutta la terra, e disperse coloro di là sopra la faccia di tutta la terra.
10Dit is de geslachtslijst van Sem. Sem was honderd jaar oud, toen hij Arpaksad verwekte, twee jaar na de zondvloed.
10QUESTE sono le generazioni di Sem: Sem, essendo d'età di cent'anni, generò Arfacsad, due anni dopo il diluvio.
11En Sem leefde, nadat hij Arpaksad verwekt had, nog vijfhonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
11E Sem, dopo ch'ebbe generato Arfacsad, visse cinquecent'anni, e generò figliuoli e figliuole.
12Arpaksad was vijf en dertig jaar oud, toen hij Sála verwekte.
12Ed Arfacsad, essendo vivuto trentacinque anni, generò Sela.
13Arpaksad leefde, nadat hij Sála verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
13Ed Arfacsad, dopo ch'egli ebbe generato Sela, visse quattrocentotre anni, e generò figliuoli e figliuole.
14Sála was dertig jaar oud, toen hij Eber verwekte.
14E Sela, essendo vivuto trent'anni, generò Eber.
15En Sála leefde, nadat hij Eber verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
15E Sela, dopo ch'ebbe generato Eber, visse quattrocentotre anni, e generò figliuoli e figliuole.
16Eber was vier en dertig jaar oud, toen hij Páleg verwekte.
16Ed Eber, essendo vivuto trentaquattr'anni, generò Peleg.
17Eber leefde, nadat hij Páleg verwekt had, nog vierhonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
17Ed Eber, dopo ch'ebbe generato Peleg, visse quattrocentrent'anni, e generò figliuoli e figliuole.
18Páleg was dertig jaar, toen hij Ragaoe verwekte.
18E Peleg, essendo vivuto trent'anni, generò Reu.
19En Páleg leefde, nadat hij Ragaoe verwekt had, nog tweehonderd negen jaar, en verwekte zonen en dochters.
19E Peleg, dopo ch'ebbe generato Reu, visse dugennove anni, e generò figliuoli e figliuole.
20Ragaoe was twee en dertig jaar oud, toen hij Seroeg verwekte.
20E Reu, essendo vivuto trentadue anni, generò Serug.
21En Ragaoe leefde, nadat hij Seroeg verwekt had, nog tweehonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters.
21E Reu, dopo che ebbe generato Serug, visse dugensette anni, e generò figliuoli e figliuole.
22Seroeg was dertig jaar oud, toen hij Nachor verwekte.
22E Serug, essendo vivuto trent'anni, generò Nahor.
23En Seroeg leefde, nadat hij Nachor verwekt had, nog tweehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
23E Serug, dopo che ebbe generato Nahor, visse dugent'anni, e generò figliuoli e figliuole.
24Nachor was negen en twintig jaar oud, toen hij Tara verwekte.
24E Nahor, essendo vivuto ventinove anni, generò Tare.
25En Nachor leefde, nadat hij Tara verwekt had, nog honderd negentien jaar, en verwekte zonen en dochters.
25E Nahor, dopo ch'ebbe generato Tare, visse cendiciannove anni, e generò figliuoli e figliuole.
26Tara was zeventig jaar oud, toen hij Abram, Nachor en Haran verwekte.
26E Tare, essendo vivuto settant'anni, generò Abramo, Nahor, e Haran.
27En dit is de geslachtslijst van Tara. Tara verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot.
27E queste sono le generazioni di Tare: Tare generò Abramo, Nahor e Haran; e Haran generò Lot.
28Haran stierf nog bij het leven van Tara, zijn vader, in zijn geboorteland, in Oer der Chaldeën.
28Or Haran morì in presenza di Tare suo padre, nel suo natio paese, in Ur de' Caldei.
29Abram en Nachor waren beiden getrouwd. De vrouw van Abram heette Sarai; de vrouw van Nachor heette Milka, en was de dochter van Haran, den vader van Milka en Jiska.
29Ed Abramo e Nahor si presero delle mogli; il nome della moglie di Abramo era Sarai; e il nome della moglie di Nahor, Milca, la quale era figliuola di Haran, padre di Milca e d'Isca.
30Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen.
30Or Sarai era sterile, e non avea figliuoli.
31Tara nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, den zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, en voerde ze weg uit Oer der Chaldeën, om naar het land Kanaän te trekken. Maar eenmaal in Charan gekomen, bleven zij daar wonen.
31E Tare prese Abramo suo figliuolo, e Lot figliuol del suo figliuolo, cioè di Haran, e Sarai sua nuora, moglie di Abramo suo figliuolo; ed essi uscirono con loro fuori d'Ur de' Caldei, per andar nel paese di Canaan; e, giunti fino in Charan, dimorarono quivi.
32Tara werd tweehonderd vijf jaar oud, en stierf in Charan.
32E il tempo della vita di Tare fu dugentocinque anni; poi morì in Charan.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.