Genesis 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Nog sprak heel de aarde eenzelfde taal en dezelfde woorden.
1And the earth was of one tongue, and of the same speech.
2Toen men uit het oosten was opgetrokken, en een vlakte in het land Sjinar had gevonden, bleef men daar wonen.
2And when they removed from the east, they found a plain in the land of Sennaar, and dwelt in it.
3Nu zeiden ze tot elkander: Komt, laten we stenen maken, en ze hard bakken in vuur. Die tichels moesten hun tot bouwsteen dienen, de asfalt tot mortel.
3And each one said to his neighbour: Come, let us make brick, and bake them with fire. And they had brick instead of stones, and slime instead of mortar.
4Later zeiden ze weer: Komt, laten we ons een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan maken we ons een herkenningsteken, zodat we niet over heel de aarde worden verstrooid.
4And they said: Come, let us make a city and a tower, the top whereof may reach to heaven: and let us make our name famous before we be scattered abroad into all lands.
5Maar Jahweh daalde neer, om de stad en de toren eens te bezien, die de mensenkinderen bouwden.
5And the Lord came down to see the city and the tower, which the children of Adam were building.
6Want Jahweh sprak: Zie, zij vormen één volk en spreken één taal. En dit is nog maar het begin van hun doen; later zal men niets meer kunnen beletten van al wat zij van plan zijn.
6And he said: Behold, it is one people, and all have one tongue: and they have begun to do this, neither will they leave off from their designs, till they accomplish them in deed.
7Kom, laat ons afdalen, en daar beneden hun spraak in verwarring brengen, zodat zij elkanders taal niet meer verstaan.
7Come ye, therefore, let us go down, and there confound their tongue, that they may not understand one another’s speech.
8Zo verstrooide Jahweh hen over de hele aarde, en staakten zij de bouw der stad.
8And so the Lord scattered them from that place into all lands, and they ceased to build the city.
9Daarom noemt men haar Babel, omdat Jahweh daar de spraak van de hele aarde in verwarring heeft gebracht, en omdat Jahweh hen vandaar over de hele aarde heeft verstrooid.
9And therefore the name thereof was called Babel, because there the language of the whole earth was confounded: and from thence the Lord scattered them abroad upon the face of all countries.
10Dit is de geslachtslijst van Sem. Sem was honderd jaar oud, toen hij Arpaksad verwekte, twee jaar na de zondvloed.
10These are the generations of Sem: Sem was a hundred years old when he begot Arphaxad, two years after the flood.
11En Sem leefde, nadat hij Arpaksad verwekt had, nog vijfhonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
11And Sem lived after he begot Arphaxad, five hundred years, and begot sons and daughters.
12Arpaksad was vijf en dertig jaar oud, toen hij Sála verwekte.
12And Arphaxad lived thirty-five years, and begot Sale.
13Arpaksad leefde, nadat hij Sála verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
13And Arphaxad lived after he begot Sale, three hundred and three years; and begot sons and daughters.
14Sála was dertig jaar oud, toen hij Eber verwekte.
14Sale also lived thirty years, and begot Heber.
15En Sála leefde, nadat hij Eber verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
15And Sale lived after he begot Heber, four hundred and three years; and begot sons and daughters.
16Eber was vier en dertig jaar oud, toen hij Páleg verwekte.
16And Heber lived thirty-four years, and begot Phaleg.
17Eber leefde, nadat hij Páleg verwekt had, nog vierhonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
17And Heber lived after he begot Phaleg, four hundred and thirty years: and begot sons and daughters.
18Páleg was dertig jaar, toen hij Ragaoe verwekte.
18Phaleg also lived thirty years, and begot Reu.
19En Páleg leefde, nadat hij Ragaoe verwekt had, nog tweehonderd negen jaar, en verwekte zonen en dochters.
19And Phaleg lived after he begot Reu, two hundred and nine years, and begot sons and daughters.
20Ragaoe was twee en dertig jaar oud, toen hij Seroeg verwekte.
20And Reu lived thirty-two years, and begot Sarug.
21En Ragaoe leefde, nadat hij Seroeg verwekt had, nog tweehonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters.
21And Reu lived after he begot Sarug, two hundred and seven years, and begot sons and daughters.
22Seroeg was dertig jaar oud, toen hij Nachor verwekte.
22And Sarug lived thirty years, and begot Nachor.
23En Seroeg leefde, nadat hij Nachor verwekt had, nog tweehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
23And Sarug lived after he begot Nachor, two hundred years: and begot sons and daughters.
24Nachor was negen en twintig jaar oud, toen hij Tara verwekte.
24And Nachor lived nine and twenty years, and begot Thare.
25En Nachor leefde, nadat hij Tara verwekt had, nog honderd negentien jaar, en verwekte zonen en dochters.
25And Nachor lived after he begot Thare, a hundred and nineteen years: and begot sons and daughters.
26Tara was zeventig jaar oud, toen hij Abram, Nachor en Haran verwekte.
26And Thare lived seventy years, and begot Abram, and Nachor, and Aran.
27En dit is de geslachtslijst van Tara. Tara verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot.
27And these are the generations of Thare: Thare begot Abram, Nachor, and Aran. And Aran begot Lot.
28Haran stierf nog bij het leven van Tara, zijn vader, in zijn geboorteland, in Oer der Chaldeën.
28And Aran died before Thare his father, in the land of his nativity in Ur of the Chaldees.
29Abram en Nachor waren beiden getrouwd. De vrouw van Abram heette Sarai; de vrouw van Nachor heette Milka, en was de dochter van Haran, den vader van Milka en Jiska.
29And Abram and Nachor married wives: the name of Abram’s wife was Sarai: and the name of Nachor’s wife, Melcha, the daughter of Aran, father of Melcha, and father of Jescha.
30Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen.
30And Sarai was barren, and had no children.
31Tara nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, den zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, en voerde ze weg uit Oer der Chaldeën, om naar het land Kanaän te trekken. Maar eenmaal in Charan gekomen, bleven zij daar wonen.
31And Thare took Abram, his son, and Lot the son of Aran, his son’s son, and Sarai his daughter in law, the wife of Abram his son, and brought them out of Ur of the Chaldees, to go into the land of Chanaan: and they came as far as Haran, and dwelt there.
32Tara werd tweehonderd vijf jaar oud, en stierf in Charan.
32And the days of Thare were two hundred and five years, and he died in Haran.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.