Genesis 43
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Maar de hongersnood bleef het land teisteren.
1In the mean time the famine was heavy upon all the land.
2En toen al het koren op was, dat zij van Egypte hadden meegebracht, zei hun vader tot hen: Gaat voor ons weer wat levensmiddelen kopen.
2And when they had eaten up all the corn, which they had brought out of Egypt, Jacob said to his sons: Go again and buy us a little food.
3Maar Juda sprak tot hem: Die man heeft ons uitdrukkelijk gewaarschuwd: Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als ge uw broer niet meebrengt.
3Juda answered: The man declared unto us with the attestation of an oath, saying: You shall not see my face, unless you bring your youngest brother with you.
4Zo gij dus onzen broer met ons meegeeft, zullen wij levensmiddelen voor u gaan kopen;
4If therefore thou wilt send him with us, we will set out together, and will buy necessaries for thee.
5maar zo ge hem niet laat gaan, vertrekken we niet. Want die man heeft ons gezegd: Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als uw broer niet bij u is.
5But if thou wilt not, we will not go: for the man, as we have often said, declared unto us, saying: You shall not see my face without your youngest brother.
6Israël hernam: Waarom hebt gij mij dit leed aangedaan, met dien man te vertellen, dat gij nog een broer hadt.
6Israel said to them: You have done this for my misery in that you told him you had also another brother.
7Zij antwoordden: Die man vroeg ons uitdrukkelijk naar ons en onze familie. Hij zeide: Leeft uw vader nog; hebt gij nog een anderen broer? Alleen op die vragen hebben we hem geantwoord. Konden we dan weten, dat hij zou zeggen: brengt uw broer hier?
7But they answered: The man asked us in order concerning our kindred: if our father lived: if we had a brother: and we answered him regularly, according to what he demanded: could we know that he would say: Bring hither your brother with you?
8En Juda drong bij zijn vader Israël aan: Geef den jongen maar met mij mee, en laten we vertrekken; dan kunnen we in leven blijven en behoeven we niet te sterven, wij, gijzelf en onze kinderen.
8And Juda said to his father: Send the boy with me, that we may set forward, and may live: lest both we and our children perish.
9Ik blijf borg voor hem; van mij moogt ge hem terugeisen. Als ik hem niet bij u terugbreng en weer voor u doe staan, blijf ik voor u mijn leven lang schuldig.
9I take the boy upon me, require him at my hand: unless I bring him again, and restore him to thee, I will be guilty of sin against thee for ever.
10Hadden we maar niet zo getalmd, dan waren we al voor de tweede keer terug.
10If delay had not been made, we had been here again the second time.
11Toen sprak hun vader Israël tot hen: Als het dan moet, doet het dan maar. Neemt het beste van het land in uw zakken mee, en biedt het dien man als geschenk aan: wat balsem en honing, wat gom en hars, met pimpernoten en amandelen.
11Then Israel said to them: If it must needs be so, do what you will: take of the best fruits of the land in your vessels, and carry down presents to the man, a little balm, and honey, and storax, myrrh, turpentine, and almonds.
12Neemt ook een dubbel bedrag aan geld met u mee. Want ge moet het geld teruggeven, dat boven in uw zakken werd gevonden; misschien was het maar een vergissing.
12And take with you double money, and carry back what you found in your sacks, lest perhaps it was done by mistake.
13Neemt dan uw broer mee, en gaat terug naar dien man.
13And take also your brother, and go to the man.
14Geve de almachtige God, dat ge genade vindt bij dien man, en dat hij uw anderen broer en Benjamin met u laat vertrekken. Wat mij betreft, moet ik kinderloos worden, het zij zo.
14And may my almighty God make him favourable to you; and send back with you your brother, whom he keepeth, and this Benjamin: and as for me I shall be desolate without children.
15De mannen namen dus het geschenk en een dubbel bedrag aan geld met zich mee, vertrokken met Benjamin naar Egypte, en verschenen voor Josef.
15So the men took the presents, and double money, and Benjamin: and went down into Egypt, and stood before Joseph.
16Toen Josef hen met Benjamin zag, beval hij zijn hofmeester: Breng die mannen naar binnen; laat het nodige slachten, en maak een maaltijd gereed; want die mannen zullen vanmiddag bij mij eten.
16And when he had seen them, and Benjamin with them, he commanded the steward of his house, saying: Bring in the men into the house, and kill victims, and prepare a feast: because they shall eat with me at noon.
17De man deed zoals Josef beval, en bracht de mannen naar het huis van Josef.
17He did as he was commanded, and brought the men into the house.
18Toen de mannen naar het huis van Josef werden gebracht, werden zij bang en zeiden: We worden weggebracht om het geld, dat de vorige maal in onze zakken is teruggevonden. Men wil ons overrompelen en overvallen, ons tot slaven maken, en onze ezels in beslag nemen.
18And they being much afraid, said there one to another: Because of the money, which we carried back the first time in our sacks, we are brought in: that he may bring upon us a false accusation, and by violence make slaves of us and our asses.
19Zij traden op den hofmeester van Josef toe, spraken hem aan bij de deur van het huis, en zeiden tot hem:
19Wherefore going up to the steward of the house, at the door,
20Met uw verlof, heer; wij waren vroeger al hier, om koren te kopen.
20They said: Sir, we desire thee to hear us: We came down once before to buy food:
21Maar toen wij in het nachtverblijf kwamen en onze zakken openden, lag ieders geld boven in zijn zak: ons eigen geld naar het volle bedrag. Dit hebben we nu weer meegebracht,
21And when we had bought, and come to the inn, we opened our sacks, and found our money in the mouths of the sacks: which we have now brought again in the same weight.
22tegelijk met het andere geld, dat we bij ons hebben, om levensmiddelen te kopen. Wij weten niet, wie ons geld weer in onze zakken heeft gelegd.
22And we have brought other money besides, to buy what we want: we cannot tell who put it in our bags.
23Hij gaf hun ten antwoord: Weest maar gerust, vreest niet; uw God en de God van uw vader heeft heimelijk een schat in uw zakken gelegd; want ik heb uw geld ontvangen. Nadat de man ook Simeon bij hen had gebracht,
23But he answered: Peace be with you, fear not: your God, and the God of your father hath given you treasure in your sacks. For the money, which you gave me, I have for good. And he brought Simeon out to them.
24leidde hij hen naar het huis van Josef, en gaf hun water, om hun voeten te wassen, en voer voor hun ezels.
24And having brought them into the house, he fetched water, and they washed their feet, and he gave provender to their asses.
25Zij legden hun geschenken gereed in afwachting van Josef, die tegen de middag zou komen; want zij hadden gehoord, dat hij daar zou eten.
25But they made ready the presents, against Joseph came at noon: for they had heard that they should eat bread there.
26Toen Josef thuis kwam, boden zij hem de geschenken aan, die zij van huis hadden meegenomen, en bogen zich voor hem ter aarde neer.
26Then Joseph came into his house, and they offered him the presents holding them in their hands, and they bowed down with their face to the ground.
27Hij vroeg hun, hoe zij het maakten, en zei: Maakt ook uw oude vader, van wien ge mij hebt gesproken, het nog goed; is hij nog in leven?
27But he, courteously saluting them again, asked them, saying: Is the old man your father in health, of whom you told me? Is he yet living?
28Zij antwoordden: Onze vader, uw dienaar, maakt het goed, en is nog in leven; en weer bogen zij eerbiedig voor hem ter aarde.
28And they answered: Thy servant our father is in health, he is yet living. And bowing themselves they made obeisance to him.
29Toen hij rondkeek, en zijn broer Benjamin zag, den zoon van zijn moeder, zei hij: Is dat uw jongste broer, van wien ge mij hebt gesproken? En hij voegde er aan toe: God zij u genadig, mijn zoon.
29And Joseph lifting up his eyes, saw Benjamin his brother, by the same mother, and said: Is this your young brother, of whom you told me? And he said: God be gracious to thee, my son.
30Dan snelde Josef weg, om uit te schreien; want bij het zien van zijn broer was hij diep ontroerd. Hij ging zijn kamer binnen en snikte het uit.
30And he made haste because his heart was moved upon his brother, and tears gushed out: and going into his chamber he wept.
31Na zijn gelaat te hebben gewassen, kwam hij weer de kamer uit. Hij vermande zich en sprak: Dient de maaltijd op!
31And when he had washed his face, coming out again, he refrained himself, and said: Set bread on the table.
32Toen diende men voor ieder afzonderlijk het eten op, voor Josef, voor hen, en voor de Egyptenaren, die met hem aten. Want de Egyptenaren mogen niet met de Hebreën eten: dit is voor de Egyptenaren een gruwel.
32And when it was set on, for Joseph apart, and for his brethren apart, for the Egyptians also that ate with him, apart, (for it is unlawful for the Egyptians to eat with the Hebrews, and they think such a feast profane):
33Zo zaten de mannen tegenover hem, van den oudste tot den jongste, juist volgens hun leeftijd; verwonderd keken zij elkaar er op aan.
33They sat before him, the firstborn according to his birthright, and the youngest according to his age. And they wondered very much:
34Hij liet hen van de gerechten bedienen, die voor hem stonden; maar het deel van Benjamin was vijf maal zo groot als dat van ieder der anderen. Zij dronken met hem, en werden vrolijk.
34Taking the messes which they received of him: and the greater mess came to Benjamin, so that it exceeded by five parts. And they drank, and were merry with him.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.