Genesis 39
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Josef was dus naar Egypte gevoerd, waar de Egyptenaar Potifar, een hoveling van Farao en overste van de lijfwacht, hem van de Jisjmaëlieten, die hem daarheen hadden gebracht, had gekocht.
1And Joseph was brought into Egypt, and Putiphar an eunuch of Pharao, chief captain of the army, an Egyptian, bought him of the Ismaelites, by whom he was brought.
2Maar Jahweh stond Josef bij, zodat het hem voorspoedig ging, en hij in het huis van zijn egyptischen meester mocht blijven.
2And the Lord was with him, and he was a prosperous man in all things: and he dwelt in his master’s house,
3En toen zijn meester zag, dat Jahweh met hem was, en Jahweh alles, wat hij ondernam, deed gelukken,
3Who knew very well that the Lord was with him, and made all that he did to prosper in his hand.
4kwam Josef bij hem in de gunst, en moest hem persoonlijk bedienen. Hij gaf hem het toezicht over zijn huis, en vertrouwde hem al zijn bezittingen toe.
4And Joseph found favour in the sight of his master, and ministered to him: and being set over all by him, he governed the house committed to him, and all things that were delivered to him:
5En van het oogenblik af, dat hij hem over zijn huis en al zijn bezittingen had gesteld, zegende Jahweh het huis van den Egyptenaar terwille van Josef. En toen de zegen van Jahweh bleef rusten op heel zijn bezit, in huis en op het land,
5And the Lord blessed the house of the Egyptian for Joseph’s sake, and multiplied all his substance, both at home, and in the fields.
6liet hij tenslotte al zijn bezittingen door Josef beheren, en bemoeide zich met niets meer, dan met het brood, dat hij at. Josef was kloek van gestalte en knap van uiterlijk.
6Neither knew he any other thing, but the bread which he ate. And Joseph was of a beautiful countenance, and comely to behold.
7Zo gebeurde het na enige tijd, dat de vrouw van zijn meester het oog op Josef liet vallen en zeide: Kom bij mij liggen.
7And after many days his mistress cast her eyes on Joseph, and said: Lie with me.
8Hij weigerde, en zeide tot de vrouw van zijn meester: Zie, mijn heer bemoeit zich met niets in zijn huis buiten mij om, en hij heeft mij al zijn bezittingen toevertrouwd.
8But he, in no wise consenting to that wicked act, said to her: Behold, my master hath delivered all things to me, and knoweth not what he hath in his own house:
9Hij zelf is hier in huis niet groter dan ik, en niets heeft hij aan mijn macht onttrokken behalve u, omdat ge zijn vrouw zijt. Hoe zou ik dan dit grote kwaad kunnen doen en zondigen tegen God?
9Neither is there any thing which is not in my power, or that he hath not delivered to me, but thee, who art his wife: how then can I do this wicked thing, and sin against my God?
10En ofschoon ze dag in dag uit bij Josef aandrong, dat hij bij haar zou komen liggen, en haar terwille zou zijn, luisterde hij niet naar haar.
10With such words as these day by day, both the woman was importunate with the young man, and he refused the adultery.
11Maar op zekere dag gebeurde het, dat hij naar huis kwam, om zijn werk te verrichten, en er niemand van de huisgenoten binnen was.
11Now it happened on a certain day, that Joseph went into the house, and was doing some business without any, man with him:
12Toen greep ze hem bij zijn kleren vast en zei: Kom bij mij liggen. Doch hij liet zijn kleed in haar handen achter, en vluchtte haastig naar buiten.
12And she catching the skirt of his garment, said: Lie with me. But he leaving the garment in her hand, fled, and went out.
13Toen zij zag, dat hij zijn kleed in haar handen had achtergelaten en naar buiten was gevlucht,
13And when the woman saw the garment in her hands, and herself disregarded,
14schreeuwde zij haar huisgenoten bijeen, en zei hun: Daar hebt ge het nu; men heeft een Hebreër in huis gebracht, om zijn spel met ons te drijven. Hij is naar mij toegekomen, om bij mij te liggen; maar ik ben gaan schreeuwen, zo hard ik kon.
14She called to her the men of her house, and said to them: See, he hath brought in a Hebrew, to abuse us: he came in to me, to lie with me: and when I cried out,
15Toen hij mij zo hard hoorde schreeuwen en gillen, liet hij zijn kleed bij mij achter, en vluchtte haastig naar buiten.
15And he heard my voice, he left the garment that I held, and got him out.
16Ze hield het kleed bij zich achter, totdat zijn meester thuis kwam.
16For a proof therefore of her fidelity, she kept the garment, and shewed it to her husband when he returned home:
17Toen vertelde ze hem hetzelfde: Die hebreeuwse slaaf, dien ge in huis hebt gehaald, is bij mij binnengedrongen, om zijn spel met mij te drijven.
17And said: The Hebrew servant, whom thou hast brought, came to me to abuse me.
18Maar toen ik hard begon te schreeuwen en te gillen, liet hij zijn kleed bij mij achter, en vluchtte haastig naar buiten.
18And when he heard me cry, he left the garment which I held, and fled out.
19Toen de heer van Josef zijn vrouw hoorde vertellen, hoe zijn slaaf haar zou hebben behandeld, werd hij zeer toornig;
19His master hearing these things, and giving too much credit to his wife’s words, was very angry.
20hij liet Josef grijpen en hem in de kerker werpen, waar de gevangenen van den koning zaten opgesloten. Maar ook toen Josef daar in de gevangenis zat,
20And cast Joseph into the prison, where the king’s prisoners were kept, and he was there shut up.
21stond Jahweh hem bij, en strekte zijn genade over hem uit. Hij zorgde er voor, dat hij bij den gevangenbewaarder in de gunst kwam,
21But the Lord was with Joseph and having mercy upon him gave him favour in the sight of the chief keeper of the prison:
22zodat deze al die in de kerker zaten opgesloten aan Josef toevertrouwde, en er niets geschiedde buiten hem om.
22Who delivered into his hand all the prisoners that were kept in custody: and whatsoever was done was under him.
23De gevangenbewaarder bemoeide zich met niets, van wat hij Josef had toevertrouwd; want Jahweh stond hem bij, en wat hij deed, liet Jahweh gelukken.
23Neither did he himself know any thing, having committed all things to him: for the Lord was with him, and made all that he did to prosper.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.