Genesis 34
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Eens ging Dina, de dochter, die Lea aan Jakob had gebaard, uit, om de meisjes van het land te bezoeken.
1And Dina the daughter of Lia went out to see the women of that country.
2Sikem, de zoon van Hemor, den Chiwwiet, en vorst van dat land, zag haar; hij schaakte haar, ging met haar slapen en verkrachtte haar.
2And when Sichem the son of Hemor the Hevite, the prince of that land, saw her, he was in love with her: and took her away, and lay with her, ravishing the virgin.
3Maar daar Sikem zijn hart aan Dina, de dochter van Jakob, had verloren, het meisje beminde en het vriendelijk bejegende,
3And his soul was fast knit unto her, and whereas she was sad, he comforted her with sweet words.
4zei hij tot zijn vader Hemor: Neem mij dat meisje tot vrouw.
4And going to Hemor his father, he said: Get me this damsel to wife.
5Nu had Jakob wel gehoord, dat zijn dochter Dina onteerd was; maar omdat zijn zonen met de kudde in het veld waren, hield Jakob zich stil tot hun terugkomst.
5But when Jacob had heard this, his sons being absent, and employed in feeding the cattle, he held his peace till they came back.
6Hemor, de vader van Sikem, ging dus naar Jakob, om eens met hem te spreken.
6And when Hemor the father of Sichem was come out to speak to Jacob,
7Intussen waren de zonen van Jakob van het land teruggekeerd. Toen de mannen vernamen, wat er gebeurd was, werden ze verontwaardigd en ontstaken in hevige toorn; door de dochter van Jakob te verkrachten, was er een schanddaad aan Israël begaan. Zo iets was er nog nooit gebeurd.
7Behold his sons came from the field: and hearing what had passed, they were exceeding angry, because he had done a foul thing in Israel, and committed an unlawful act, in ravishing Jacob’s daughter,
8Hemor sprak tot hen: Mijn zoon Sikem hangt met heel zijn hart aan uw dochter; geef haar dus aan hem tot vrouw.
8And Hemor spoke to them: The soul of my son Sichem has a longing for your daughter: give her him to wife:
9Laten we onder elkander huwen; geeft uw dochters aan ons, en neemt gij de onzen.
9And let us contract marriages one with another: give us your daughters and take you our daughters,
10Ge kunt gerust bij ons blijven wonen; het land ligt voor u open. Blijft hier; trekt er rond, of neemt er een vaste woonplaats.
10And dwell with us: the land is at your command, till, trade, and possess it.
11En Sikem zeide tot haar vader en haar broeders: Als ik genade vind in uw ogen, zal ik u geven, wat gij vraagt.
11Sichem also said to her father and to her brethren: Let me find favour in your sight: and whatsoever you shall appoint I will give.
12Ge moogt de bruidsprijs en het geschenk verhogen, zoveel ge wilt; ik geef wat ge mij vraagt; maar geeft me het meisje tot vrouw.
12Raise the dowry, and ask gifts, and I will gladly give what you shall demand: only give me this damsel to wife.
13Toen gaven de zonen van Jakob, wier zuster Dina onteerd was, aan Sikem en aan zijn vader Hemor een listig antwoord.
13The sons of Jacob answered Sichem and his father deceitfully, being enraged at the deflowering of their sister:
14Ze zeiden: Wij kunnen daar niet op ingaan; we mogen onze zuster niet aan een onbesnedene geven, want dat is een schande voor ons.
14We cannot do what you demand, nor give our sister to one that is uncircumcised, which with us is unlawful and abominable.
15Alleen op deze voorwaarde geven wij u onze toestemming: ge moet alle mannen onder u laten besnijden, zoals wij zijn besneden.
15But in this we may be allied with you, if you will be like us, and all the male sex among you be circumcised:
16Dan zullen wij u onze dochters geven, en wij de uwe nemen, bij u blijven wonen, en één volk met u vormen.
16Then will we mutually give and take your daughters, and ours: and we will dwell with you, and will be one people:
17Maar wanneer ge hierop niet ingaat, nemen we onze dochters mee en gaan heen.
17But if you will not be circumcised, we will take our daughter and depart:
18Hun voorstel beviel aan Hemor en aan zijn zoon Sikem,
18Their offer pleased Hemor, and Sichem his son:
19en de jonge man draalde niet, het ten uitvoer te brengen. Want de dochter van Jakob behaagde hem; ook had hij de meeste invloed in de familie.
19And the young man made no delay, but forthwith fulfilled what was required, for he loved the damsel exceedingly, and he was the greatest man in all his father’s house.
20Hemor en zijn zoon Sikem gingen dus naar de stadspoort, en spraken tot hun medeburgers:
20And going into the gate of the city they spoke to the people:
21Deze mannen zijn ons vreedzaam gezind. Zij willen in het land blijven wonen, en er in rondtrekken; want het land biedt hun aan alle kanten ruimte genoeg. Laten wij hun dochters tot vrouw nemen, en de onzen aan hen geven.
21These men are peaceable and willing to dwell with us: let them trade in the land, and till it, which being large and wide wanteth men to till it: we shall take their daughters for wives, and we will give them ours.
22Maar alleen onder deze voorwaarde willen die mannen onder ons blijven wonen, en één volk met ons vormen: wij moeten alle mannen onder ons laten besnijden, zoals zij zelf besneden zijn.
22One thing there is for which so great a good is deferred: We must circumcise every male among us, following the manner of the nation.
23Dan zal hun bezit, hun have en al hun vee ons eigendom worden. We hoeven slechts op hun voorstel in te gaan, dan blijven ze bij ons.
23And their substance, and cattle, and all that they possess, shall be ours: only in this let us condescend, and by dwelling together, we shall make one people.
24Alle medeburgers van Hemor en zijn zoon Sikem stemden er in toe, en alle mannen van de stad lieten zich besnijden.
24And they all agreed, and circumcised all the males.
25Maar op de derde dag, toen zij met wondkoorts lagen, grepen Simeon en Levi, de twee zonen van Jakob en broers van Dina, hun zwaard, overvielen de stad, die zich in veiligheid waande en vermoordden alle mannen.
25And behold the third day, when the pain of the wound was greatest, two of the sons of Jacob, Simeon and Levi, the brothers of Dina, taking their swords, entered boldly into the city, and slew all the men:
26Ook Hemor en zijn zoon Sikem joegen zij over de kling, haalden Dina uit het huis van Sikem, en trokken af.
26And they killed also Hemor and Sichem, and took away their sister Dina, out of Sichem’s house.
27Nadat de zonen van Jakob zo de zieken hadden overvallen, plunderden ze de stad, omdat men hun zuster had onteerd.
27And when they were gone out, the other sons of Jacob came upon the slain; and plundered the city in revenge of the rape.
28Hun schapen, hun runderen en ezels, met alles wat in de stad was of wat op het land stond, roofden ze weg.
28And they took their sheep and their herds and their asses, wasting all they had in their houses and in the fields.
29Al hun bezittingen met alle kinderen en vrouwen voerden ze mee, en alles wat in de huizen was, maakten ze buit.
29And their children and wives they took captive,
30Maar Jakob sprak tot Simeon en Levi: Gij stort mij in het ongeluk, door mij in kwade reuk te brengen bij de bewoners van het land, de Kanaänieten en de Perizzieten. Ik heb maar weinig volk; als zij dus tegen mij samenspannen en mij overvallen, word ik met mijn gezin vernietigd.
30And when they had boldly perpetrated these things, Jacob said to Simeon and Levi: You have troubled me, and made me hateful to the Chanaanites and Pherezites, the inhabitants of this land: we are few: they will gather themselves together and kill me; and both I, and my house, shall be destroyed.
31Zij gaven ten antwoord: Mocht hij dan onze zuster als een deerne behandelen?
31They answered: Should they abuse our sister as a strumpet?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.