Genesis 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Dit is de geslachtslijst van Adam. Toen God den mens schiep, maakte Hij hem op God gelijkend;
1This is the book of the generation of Adam. In the day that God created man, he made him to the likeness of God.
2man en vrouw schiep Hij hen. En op de dag van hun schepping zegende Hij hen, en noemde hen mens.
2He created them male and female; and blessed them: and called their name Adam, in the day when they were created.
3Adam was honderd dertig jaar oud, toen hij als zijn beeld, op zich gelijkend, een zoon verwekte, wien hij de naam Set gaf.
3And Adam lived a hundred and thirty years, and begot a son to his own image and likeness, and called his name Seth.
4En Adam leefde, nadat hij Set verwekt had, nog achthonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
4And the days of Adam, after he begot Seth, were eight hundred years: and he begot sons and daughters.
5Heel de levensduur van Adam was negenhonderd dertig jaar. En hij stierf.
5And all the time that Adam lived came to nine hundred and thirty years, and he died.
6Set was honderd vijf jaar oud, toen hij Enos verwekte.
6Seth also lived a hundred and five years, and begot Enos.
7En Set leefde, nadat hij Enos verwekt had, nog achthonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters.
7And Seth lived after he begot Enos, eight hundred and seven years, and begot sons and daughters.
8Heel de levensduur van Set was negenhonderd twaalf jaar. En hij stierf.
8And all the days of Seth were nine hundred and twelve years, and he died.
9Enos was negentig jaar oud, toen hij Kaïnan verwekte.
9And Enos lived ninety years, and begot Cainan.
10En Enos leefde, nadat hij Kaïnan verwekt had, nog achthonderd vijftien jaar, en verwekte zonen en dochters.
10After whose birth he lived eight hundred and fifteen years, and begot sons and daughters.
11Heel de levensduur van Enos was negenhonderd vijf jaar. En hij stierf.
11And all the days of Enos were nine hundred and five years, and he died.
12Kaïnan was zeventig jaar oud, toen hij Malaleël verwekte.
12And Cainan lived seventy years, and begot Malaleel.
13En Kaïnan leefde, nadat hij Malaleël verwekt had, nog achthonderd veertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
13And Cainan lived after he begot Malaleel, eight hundred and forty years, and begot sons and daughters.
14Heel de levensduur van Kaïnan was negenhonderd tien jaar. En hij stierf.
14And all the days of Cainan were nine hundred and ten years, and he died.
15Malaleël was vijf en zestig jaar oud, toen hij Járed verwekte.
15And Malaleel lived sixty-five years, and begot Jared.
16En Malaleël leefde, nadat hij Járed verwekt had, nog achthonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
16And Malaleel lived after he begot Jared, eight hundred and thirty years, and begot sons and daughters.
17Heel de levensduur van Malaleël was achthonderd vijf en negentig jaar. En hij stierf.
17And all the days of Malaleel were eight hundred and ninety-five years, and he died.
18Járed was honderd twee en zestig jaar oud, toen hij Henok verwekte.
18And Jared lived a hundred and sixty-two years, and begot Henoch.
19En Járed leefde, nadat hij Henok verwekt had, nog achthonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
19And Jared lived after he begot Henoch, eight hundred years, and begot sons and daughters.
20Heel de levensduur van Járed was negenhonderd twee en zestig jaar. En hij stierf.
20And all the days of Jared were nine hundred and sixty-two years, and he died.
21Henok was vijf en zestig jaar oud, toen hij Matoesala verwekte.
21And Henoch lived sixty-five years, and begot Mathusala.
22Henok leefde vertrouwelijk met God. En hij leefde, nadat hij Matoesala verwekt had, nog driehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
22And Henoch walked with God: and lived after he begot Mathusala, three hundred years, and begot sons and daughters.
23Heel de levensduur van Henok was driehonderd vijf en zestig jaar.
23And all the days of Henoch were three hundred and sixty-five years.
24En omdat Henok vertrouwelijk met God had geleefd, nam God hem weg, en men vond hem niet meer.
24And he walked with God, and was seen no more: because God took him.
25Matoesala was honderd zeven en tachtig jaar oud, toen hij Lámek verwekte.
25And Mathusala lived a hundred and eighty-seven years, and begot Lamech.
26En Matoesala leefde, nadat hij Lámek verwekt had, nog zevenhonderd twee en tachtig jaar, en verwekte zonen en dochters.
26And Mathusala lived after he begot Lamech, seven hundred and eighty-two years, and begot sons and daughters.
27Heel de levensduur van Matoesala was negenhonderd negen en zestig jaar. En hij stierf.
27And all the days of Mathusala were nine hundred and sixty-nine years, and he died.
28Lámek was honderd twee en tachtig jaar oud, toen hij een zoon verwekte.
28And Lamech lived a hundred and eighty-two years, and begot a son.
29Hij noemde hem Noë, want hij sprak: Deze zal ons uit de bodem, die Jahweh vervloekt heeft, verkwikking verschaffen bij ons werken en zwoegen.
29And he called his name Noe, saying: This same shall comfort us from the works and labours of our hands on the earth, which the Lord hath cursed.
30En Lámek leefde, nadat hij Noë verwekt had, nog vijfhonderd vijf en negentig jaar, en verwekte zonen en dochters.
30And Lamech lived after he begot Noe, five hundred and ninety-five years, and begot sons and daughters.
31Heel de levensduur van Lámek was zevenhonderd zeven en zeventig jaar. En hij stierf.
31And all the days of Lamech came to seven hundred and seventy-seven years, and he died.
32Noë was vijfhonderd jaar oud, toen hij Sem, Cham en Jáfet verwekte.
32And Noe, when he was five hundred years old, begot Sem, Cham, and Japheth.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.