Genesis 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)
1Dit is de geslachtslijst van Adam. Toen God den mens schiep, maakte Hij hem op God gelijkend;
1Adam ih caanawk anghumhaih kawng loe hae tiah oh. Sithaw mah kami sak naah, Sithaw angmah krang hoi kanghmong ah anih to sak.
2man en vrouw schiep Hij hen. En op de dag van hun schepping zegende Hij hen, en noemde hen mens.
2Nongpa hoi nongpata to a sak moe, nihnik to tahamhoihaih paek; nihnik sak na niah nihnik ih ahmin to Adam, tiah ahmin paek.
3Adam was honderd dertig jaar oud, toen hij als zijn beeld, op zich gelijkend, een zoon verwekte, wien hij de naam Set gaf.
3Adam loe saning cumvai, qui thumto hing naah, angmah baktiah kaom, angmah krang hoi kanghmong capa maeto sak; anih ih ahmin to Seth, tiah a sak.
4En Adam leefde, nadat hij Set verwekt had, nog achthonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
4Seth tapen pacoengah, Adam loe saning cumvai tazetto hing moe, kalah capa hoi canunawk doeh sak vop.
5Heel de levensduur van Adam was negenhonderd dertig jaar. En hij stierf.
5Adam loe saning cumvai takawt, qui thumto hing pacoengah duek.
6Set was honderd vijf jaar oud, toen hij Enos verwekte.
6Seth loe saning cumvaito pacoeng, pangato hing naah, Enos to sak.
7En Set leefde, nadat hij Enos verwekt had, nog achthonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters.
7Enos tapen pacoengah, Seth loe saning cumvai tazet, pangato hing moe, kalah capa hoi canunawk doeh a sak vop.
8Heel de levensduur van Set was negenhonderd twaalf jaar. En hij stierf.
8Seth loe saning cumvai takawt, hatlai hnetto hing pacoengah duek.
9Enos was negentig jaar oud, toen hij Kaïnan verwekte.
9Enos loe saning qui takawtto hing naah, Kainan to sak;
10En Enos leefde, nadat hij Kaïnan verwekt had, nog achthonderd vijftien jaar, en verwekte zonen en dochters.
10Enosh loe Kainan tapen pacoengah, saning cumvai tazet, hatlai pangato hing moe, kalah capa hoi canunawk doeh sak vop;
11Heel de levensduur van Enos was negenhonderd vijf jaar. En hij stierf.
11Enos loe saning cumvai takawt, pangato hing pacoengah duek.
12Kaïnan was zeventig jaar oud, toen hij Malaleël verwekte.
12Kainan loe saning qui sarihto hing naah, Mahalalel to sak.
13En Kaïnan leefde, nadat hij Malaleël verwekt had, nog achthonderd veertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
13Mahalalel tapen pacoengah Kainan loe, saning cumvai tazet, qui palito hing moe, kalah capa hoi canunawk doeh a sak vop.
14Heel de levensduur van Kaïnan was negenhonderd tien jaar. En hij stierf.
14Kainan loe saning cumvai takawt, hato hing pacoengah duek.
15Malaleël was vijf en zestig jaar oud, toen hij Járed verwekte.
15Mahalalel loe saning qui taruk, pangato hing naah, Jared to sak;
16En Malaleël leefde, nadat hij Járed verwekt had, nog achthonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
16Mahalalel loe Jared tapen pacoengah, saning cumvai tazet, qui thumto hing moe, kalah capa hoi canunawk doeh sak vop.
17Heel de levensduur van Malaleël was achthonderd vijf en negentig jaar. En hij stierf.
17Mahalel loe saning cumvai tazet, qui takawt, pangato hing pacoengah duek.
18Járed was honderd twee en zestig jaar oud, toen hij Henok verwekte.
18Jared loe saning cumvai qui taruk, hnetto hing naah, Enok to sak.
19En Járed leefde, nadat hij Henok verwekt had, nog achthonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
19Jared loe Enok tapen pacoengah, saning cumvai tazetto hing moe, kalah capa hoi canunawk doeh sak vop.
20Heel de levensduur van Járed was negenhonderd twee en zestig jaar. En hij stierf.
20Jared loe saning cumvai takawt, qui taruk, hnetto hing pacoengah duek.
21Henok was vijf en zestig jaar oud, toen hij Matoesala verwekte.
21Enok loe saning qui tarukto pacoeng, saning pangato hing naah, Methuselah to sak.
22Henok leefde vertrouwelijk met God. En hij leefde, nadat hij Matoesala verwekt had, nog driehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
22Enok loe Methuselah tapen pacoengah, saning cumvai thumto thung Sithaw hoi nawnto lam caeh; to pacoengah doeh kalah capa hoi canunawk to sak vop.
23Heel de levensduur van Henok was driehonderd vijf en zestig jaar.
23Enok loe saning cumvai thum, qui tarukto pacoeng, pangato hing.
24En omdat Henok vertrouwelijk met God had geleefd, nam God hem weg, en men vond hem niet meer.
24Enok loe Sithaw hoi nawnto lam caeh pacoengah, Sithaw mah lak ving boeh pongah, om ai boeh.
25Matoesala was honderd zeven en tachtig jaar oud, toen hij Lámek verwekte.
25Methuselah loe saning cumvai qui tazetto pacoeng, sarihto hing naah, Lamek to sak.
26En Matoesala leefde, nadat hij Lámek verwekt had, nog zevenhonderd twee en tachtig jaar, en verwekte zonen en dochters.
26Methuselah loe Lamek tapen pacoengah, saning cumvai sarih, qui tazet, hnetto hing moe, kalah capa hoi canunawk doeh sak vop.
27Heel de levensduur van Matoesala was negenhonderd negen en zestig jaar. En hij stierf.
27Methuselah loe saning cumvai takawt, qui taruk, saning takawtto hing pacoengah duek.
28Lámek was honderd twee en tachtig jaar oud, toen hij een zoon verwekte.
28Lamek loe saning cumvai qui tazet, hnetto hing naah, capa maeto sak;
29Hij noemde hem Noë, want hij sprak: Deze zal ons uit de bodem, die Jahweh vervloekt heeft, verkwikking verschaffen bij ons werken en zwoegen.
29Angraeng mah tangoeng ih long ah, ban hoi toksak patangh naah, anih mah monghaih na paek tih, tiah a poek pongah anih ih ahmin to Noah, tiah sak.
30En Lámek leefde, nadat hij Noë verwekt had, nog vijfhonderd vijf en negentig jaar, en verwekte zonen en dochters.
30Lamek loe Noah tapen pacoeng, saning cumvai panga, qui takawt, pangato hing moe, kalah capa hoi canunawk doeh sak vop.
31Heel de levensduur van Lámek was zevenhonderd zeven en zeventig jaar. En hij stierf.
31Lamek loe saning cumvai sarih, qui sarih, sarihto hing pacoengah duek.
32Noë was vijfhonderd jaar oud, toen hij Sem, Cham en Jáfet verwekte.
32Noah loe saning cumvai pangato hing naah, Shem, Ham hoi Japheth to sak.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.