Genesis 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Dit is de geslachtslijst van de zonen van Noë: van Sem, Cham en Jáfet; want hun werden na de zondvloed zonen geboren.
1These are the generations of the sons of Noe: Sem, Cham, and Japheth: and unto them sons were born after the flood.
2De zonen van Jáfet zijn Gómer, Magog, Madai, Jawan, Toebal, Mésjek en Tiras.
2The sons of Japheth: Gomer, and Magog, and Madai, and Javan, and Thubal, and Mosoch, and Thiras.
3De zonen van Gómer: Asjkenaz, Rifat en Togarma.
3And the sons of Gomer: Ascenez and Riphath and Thogorma.
4De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de Kittiërs en de Rodiërs;
4And the sons of Javan: Elisa and Tharsis, Cetthim and Dodanim.
5dezen hebben zich over de kustlanden der volken verdeeld. Dit zijn de zonen van Jáfet volgens hun landen, elk naar zijn taal, zijn stam en zijn volk.
5By these were divided the islands of the Gentiles in their lands, every one according to his tongue and their families in their nations.
6De zonen van Cham zijn Koesj, Egypte, Poet en Kanaän.
6And the sons of Cham: Chus, and Mesram, and Phuth, and Chanaan.
7De zonen van Koesj zijn Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. De zonen van Rama zijn Sjeba en Dedan.
7And the sons of Chus: Saba, and Hevila, and Sabatha, and Regma, and Sabatacha. The sons of Regma: Saba and Dadan.
8Koesj verwekte ook Nimrod. Deze begon machtig te worden op aarde;
8Now Chus begot Nemrod: he began to be mighty on the earth.
9hij was een geweldig jager voor Jahweh. Daarom zegt men “Een geweldig jager voor Jahweh als Nimrod”.
9And he was a stout hunter before the Lord. Hence came a proverb: Even as Nemrod the stout hunter before the Lord.
10Aanvankelijk heerste hij over Babel, Erek, Akkad en Kalne, in het land Sjinar;
10And the beginning of his kingdom was Babylon, and Arach, and Achad, and Chalanne in the land of Sennaar.
11maar van dat land rukte hij naar Assjoer op, waar hij Ninive bouwde, Rechobot-Ir en Kálach,
11Out of that land came forth Assur, and built Ninive, and the streets of the city, and Chale.
12en Résen tussen Ninive en Kálach; dit is de grote stad.
12Resen also between Ninive and Chale: this is the great city.
13Egypte bracht de Loedieten voort, de Anamieten, de Lehabieten en de Naftoechieten,
13And Mesraim begot Ludim, and Anamim, and Laabim, Nepthuim,
14de Patroesieten en de Kasloechieten, waar de Filistijnen en de Kaftorieten uit voortgekomen zijn.
14And Phetrusim, and Chasluim; of whom came forth the Philistines, and the Capthorim.
15Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet;
15And Chanaan begot Sidon, his firstborn, the Hethite,
16verder de Jeboesieten, Amorieten en de Girgasjieten,
16And the Jebusite, and the Amorrhite, and the Gergesite,
17de Chiwwieten, Arkieten en Sinieten,
17The Hevite and the Aracite: the Sinite,
18de Arwadieten, Semarieten en Chamatieten. Later werden de stammen der Kanaänieten verspreid,
18And the Aradian, the Samarite, and the Hamathite: and afterwards the families of the Chanaanites were spread abroad.
19zodat het gebied der Kanaänieten zich uitstrekte van Sidon af in de richting van Gerar tot Gaza toe, en in de richting van Sodoma, Gomorra, Adma en Seboim tot Lésja toe.
19And the limits of Chanaan were from Sidon as one comes to Gerara even to Gaza, until thou enter Sodom and Gomorrha, and Adama, and Seboim even to Lesa.
20Dit zijn de zonen van Cham volgens hun stammen en talen, naar hun landen en volken.
20These are the children of Cham in their kindreds, and tongues, and generations, and lands, and nations.
21Ook Sem, den stamvader van de zonen van Eber en oudsten broer van Jáfet, werden kinderen geboren.
21Of Sem also, the father of all the children of Heber, the elder brother of Japheth, sons were born.
22De zonen van Sem zijn Elam, Assjoer, Arpaksad, Loed en Aram.
22The sons of Sem: Elam and Assur, and Arphaxad, and Lud, and Aram.
23De zonen van Aram zijn Oes, Choel, Géter en Masj.
23The sons of Aram: Us and Hull, and Gether, and Mess.
24Arpaksad verwekte Sála, en Sála weer Eber.
24But Arphaxad begot Sale, of whom was born Heber.
25Eber had twee zonen; de eerste heette Páleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; zijn broer heette Joktan.
25And to Heber were born two sons: the name of the one was Phaleg, because in his days the earth was divided: and his brother’s name Jectan.
26Joktan verwekte Almodad en Sjélef, Chasarmáwet en Jérach,
26Which Jectan begot Elmodad, and Saleph, and Asarmoth, Jare,
27Hadoram, Oezal en Dikla,
27And Aduram, and Uzal, and Decla,
28Obal, Abimaël, Sjeba,
28And Ebal, and Abimael, Saba,
29Ofir, Chawila en Jobab: allen zonen van Joktan.
29And Ophir, and Hevila, and Jobab. All these were the sons of Jectan.
30Zij woonden van Mesja af in de richting van Sefar, een gebergte in het oosten.
30And their dwelling was from Messa as we go on as far as Sephar, a mountain in the east.
31Dit zijn de zonen van Sem volgens hun stammen en talen, naar hun landen en volken.
31These are the children of Sem according to their kindreds and tongues, and countries in their nations.
32Dit zijn dan de geslachten van de zonen van Noë naar hun stammen en volken; uit hen zijn de volken voortgekomen, die zich na de zondvloed over de aarde hebben verspreid.
32These are the families of Noe, according to their peoples and nations. By these were the nations divided on the earth after the flood.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.