Genesis 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Dit is de geslachtslijst van de zonen van Noë: van Sem, Cham en Jáfet; want hun werden na de zondvloed zonen geboren.
1Tito jsou pak rodové synů Noé, Sema, Chama a Jáfeta, jimž se tito synové zrodili po potopě.
2De zonen van Jáfet zijn Gómer, Magog, Madai, Jawan, Toebal, Mésjek en Tiras.
2Synové Jáfetovi: Gomer a Magog, a Madai, a Javan, a Tubal, a Mešech, a Tiras.
3De zonen van Gómer: Asjkenaz, Rifat en Togarma.
3Synové pak Gomerovi: Ascenez, Rifat, a Togorma.
4De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de Kittiërs en de Rodiërs;
4Synové pak Javanovi: Elisa a Tarsis, Cetim a Dodanim.
5dezen hebben zich over de kustlanden der volken verdeeld. Dit zijn de zonen van Jáfet volgens hun landen, elk naar zijn taal, zijn stam en zijn volk.
5Od těch rozděleni jsou ostrovové národů po krajinách jejich, každý podlé jazyku svého, vedlé čeledi své, v národech svých.
6De zonen van Cham zijn Koesj, Egypte, Poet en Kanaän.
6Synové pak Chamovi: Chus a Mizraim a Put a Kanán.
7De zonen van Koesj zijn Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. De zonen van Rama zijn Sjeba en Dedan.
7A synové Chusovi: Sába, Evila, a Sabata, a Regma, a Sabatacha. Synové pak Regmovi: Sába a Dedan.
8Koesj verwekte ook Nimrod. Deze begon machtig te worden op aarde;
8Zplodil také Chus Nimroda; onť jest počal býti mocným na zemi.
9hij was een geweldig jager voor Jahweh. Daarom zegt men “Een geweldig jager voor Jahweh als Nimrod”.
9To byl silný lovec před Hospodinem; protož se říká: Jako Nimrod silný lovec před Hospodinem.
10Aanvankelijk heerste hij over Babel, Erek, Akkad en Kalne, in het land Sjinar;
10Počátek pak jeho království byl Babylon a Erech, Achad a Chalne, v zemi Sinear.
11maar van dat land rukte hij naar Assjoer op, waar hij Ninive bouwde, Rechobot-Ir en Kálach,
11Z země té vyšel do Assur, kdežto vystavěl Ninive, a Rohobot město, a Chále,
12en Résen tussen Ninive en Kálach; dit is de grote stad.
12A Rezen mezi Ninive a mezi Chále; toť jest město veliké.
13Egypte bracht de Loedieten voort, de Anamieten, de Lehabieten en de Naftoechieten,
13Mizraim pak zplodil Ludim a Anamim, a Laabim, a Neftuim,
14de Patroesieten en de Kasloechieten, waar de Filistijnen en de Kaftorieten uit voortgekomen zijn.
14A Fetruzim, a Chasluim, (odkudž pošli Filistinští) a Kafturim.
15Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet;
15Kanán pak zplodil Sidona prvorozeného svého, a Het,
16verder de Jeboesieten, Amorieten en de Girgasjieten,
16A Jebuzea, a Amorea, a Gergezea,
17de Chiwwieten, Arkieten en Sinieten,
17A Hevea, a Aracea, a Sinea,
18de Arwadieten, Semarieten en Chamatieten. Later werden de stammen der Kanaänieten verspreid,
18A Aradia, a Samarea, a Amatea; a potom odtud rozprostřely se čeledi Kananejských.
19zodat het gebied der Kanaänieten zich uitstrekte van Sidon af in de richting van Gerar tot Gaza toe, en in de richting van Sodoma, Gomorra, Adma en Seboim tot Lésja toe.
19A bylo pomezí Kananejských od Sidonu, když jdeš k Gerar až do Gázy; a odtud když jdeš k Sodomě a Gomoře, a Adama a Seboim až do Lázy.
20Dit zijn de zonen van Cham volgens hun stammen en talen, naar hun landen en volken.
20Ti jsou synové Chamovi po čeledech svých, vedlé jazyků svých, po krajinách svých, v národech svých.
21Ook Sem, den stamvader van de zonen van Eber en oudsten broer van Jáfet, werden kinderen geboren.
21Semovi také, otci všech synů Heber, bratru Jáfeta staršího zrozeni jsou synové.
22De zonen van Sem zijn Elam, Assjoer, Arpaksad, Loed en Aram.
22A tito jsou synové Semovi: Elam, a Assur, a Arfaxad, a Lud, a Aram.
23De zonen van Aram zijn Oes, Choel, Géter en Masj.
23Synové pak Aramovi: Hus, a Hul, a Geter, a Mas.
24Arpaksad verwekte Sála, en Sála weer Eber.
24Potom Arfaxad zplodil Sále; a Sále zplodil Hebera.
25Eber had twee zonen; de eerste heette Páleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; zijn broer heette Joktan.
25Heberovi také narodili se dva synové; jméno jednoho Peleg, proto že za dnů jeho rozdělena byla země, a jméno bratra jeho Jektan.
26Joktan verwekte Almodad en Sjélef, Chasarmáwet en Jérach,
26Jektan pak zplodil Elmodada, a Salefa, a Azarmota, a Járe,
27Hadoram, Oezal en Dikla,
27A Adoráma, a Uzala, a Dikla,
28Obal, Abimaël, Sjeba,
28A Obale, a Abimahele, a Sebai,
29Ofir, Chawila en Jobab: allen zonen van Joktan.
29A Ofira, a Evila, a Jobaba; všickni ti jsou synové Jektanovi.
30Zij woonden van Mesja af in de richting van Sefar, een gebergte in het oosten.
30A bylo bydlení jejich od Mesa, když jdeš k Sefar hoře na východ slunce.
31Dit zijn de zonen van Sem volgens hun stammen en talen, naar hun landen en volken.
31Tiť jsou synové Semovi po čeledech svých, vedlé jazyků svých, po krajinách svých, v národech svých.
32Dit zijn dan de geslachten van de zonen van Noë naar hun stammen en volken; uit hen zijn de volken voortgekomen, die zich na de zondvloed over de aarde hebben verspreid.
32Ty jsou čeledi synů Noé po rodech svých, v národech svých; a od těch rozdělili se národové na zemi po potopě.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.