Genesis 33
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Nu sloeg Jakob zijn ogen op en keek rond; en zie, daar kwam Esau aan met vierhonderd man. Toen verdeelde hij zijn kinderen onder Lea, Rachel en zijn beide slavinnen.
1Pozdvih pak očí svých Jákob, uzřel, an Ezau jde, a čtyři sta mužů s ním; i rozdělil syny Líe zvlášť a Ráchele zvlášť, a obou děvek zvlášť.
2De slavinnen met haar kinderen plaatste hij voorop, Lea met haar kinderen daar achter, en Rachel met Josef achteraan.
2Postavil, pravím, děvky s syny jejich napřed, potom Líu s syny jejími za nimi, Ráchel pak a Jozefa nejzáze.
3Zelf stelde hij zich aan hun spits, boog zich zevenmaal ter aarde neer, tot hij zijn broer genaderd was.
3A sám šel před nimi, a poklonil se až k zemi po sedmkrát, až právě přišel k bratru svému.
4Maar Esau snelde hem tegemoet, en omhelsde hem; hij viel hem om de hals, en kuste hem wenend.
4I běžel Ezau proti němu, a objal ho; a pad na šíji jeho, líbal ho. I plakali.
5Toen hij zijn ogen opsloeg en de vrouwen met de kinderen zag, vroeg hij: Wie hebt ge daar? Hij antwoordde: Het zijn de kinderen, die het God heeft behaagd, aan uw dienaar te schenken.
5Pozdvih pak očí svých, a spatřiv ženy s dětmi, řekl: Kdo jsou onino s tebou? Odpověděl: Jsou dítky, kteréž Bůh dal z milosti služebníku tvému.
6Nu traden de slavinnen met haar kinderen naar voren, en bogen zich voor hem neer.
6Mezi tím přiblížily se děvky s syny svými, i poklonili se.
7Ook Lea trad met haar kinderen vooruit, en boog zich neer; daarna kwamen ook Josef en Rachel, en bogen zich neer.
7Přiblížila se také Lía s syny svými, a poklonili se; a potom přiblížil se Jozef a Ráchel, a také se poklonili.
8Toen sprak hij: Wat moet ge met heel dat leger, dat ik heb ontmoet? Hij antwoordde: Genade vinden in de ogen van mijn heer!
8I řekl Ezau: K čemu jest všecken ten houf, kterýž jsem potkal? Odpověděl: Abych nalezl milost před očima pána mého.
9Maar Esau hernam: Ik bezit meer dan genoeg, mijn broeder; behoud wat ge hebt.
9Tedy řekl Ezau: Mám hojně, bratře můj; nech sobě, což tvého jest.
10Jakob hield aan: Neen, als ik genade gevonden heb in uw ogen, neem dan het geschenk van mij aan; want, daar gij vriendelijk voor mij waart, heb ik uw gelaat gezien, zoals men Gods aanschijn aanschouwt.
10I řekl Jákob: Nezbraňuj se, prosím; jestliže jsem nyní nalezl milost před očima tvýma, přijmi dar můj z ruky mé, poněvadž jsem viděl tvář tvou, jako bych viděl tvář Boží, a laskavě jsi mne přijal.
11Wil toch het blijk van mijn hulde aanvaarden, dat ik u heb aangeboden; want God is mij genadig geweest, zodat ik overvloed heb. Toen hij zo bij hem aandrong, nam hij het aan.
11Přijmi, prosím, dar můj obětovaný tobě, poněvadž štědře obdařil mne Bůh, a mám všeho dosti. Takž ho přinutil, a on vzal.
12Daarop sprak: Laten we opbreken en verder trekken; ik zal u dan begeleiden.
12I dí: Poď, a jděme; já půjdu s tebou.
13Maar hij antwoordde: Mijn heer, gij ziet, dat de kinderen nog zwak zijn. Bovendien moet ik voor de schapen en zogende runderen zorgen; als die één dag te veel gejaagd worden, gaat heel de kudde te gronde.
13I řekl k němu Jákob: Ví pán můj, že děti jsou outlí, a mám s sebou ovce i krávy březí; kteréžto budou-li hnány přes moc jeden den, pomře mi všecken dobytek.
14Laat dus mijn heer zijn dienaar vooruitgaan; ik zal op mijn gemak mijn tocht vervolgen in de pas van het vee, dat voor mij uittrekt, en in de pas van de kinderen, tot ik in Seïr kom bij mijn heer.
14Nechžť medle jde pán můj před služebníkem svým, já pak poznenáhlu se poberu, tak jakž bude moci jíti stádo, kteréž před sebou mám, a jakž postačiti budou moci děti, až tak dojdu ku pánu svému do Seir.
15Esau hernam: Dan zal ik tenminste enkele van de mannen, die mij vergezellen, te uwer beschikking stellen. Maar hij antwoordde: Waar is dat voor nodig; als ik maar genade vind in de ogen van mijn heer?
15I řekl Ezau: Nechť ale pozůstavím něco lidu, kterýž mám s sebou. I odpověděl: K čemu to? Nechť toliko naleznu milost před očima pána svého.
16Zo keerde Esau nog diezelfde dag naar Seïr terug.
16Tedy Ezau toho dne navrátil se cestou svou do Seir.
17Maar Jakob trok naar Soekkot; hij bouwde daar een huis voor zichzelf, en maakte er hutten voor zijn vee. Daarom wordt die plaats Soekkot genoemd.
17Jákob pak bral se do Sochot, a ustavěl sobě dům, a dobytku svému zdělal stáje; protož nazval jméno místa toho Sochot.
18Na zijn terugkeer uit Paddan-Aram kwam Jakob behouden aan in de stad Sikem, die in het land Kanaän ligt, en legerde zich ten oosten der stad.
18A tak Jákob navracuje se z Pádan Syrské, přišel ve zdraví k městu Sichem, kteréž jest v zemi Kananejské, a položil se před městem.
19Voor honderd goudstukken kocht hij van de zonen van Hemor, den vader van Sikem, de strook grond, waarop hij zijn tent had gespannen.
19I koupil díl pole toho, na němž byl rozbil stan svůj, od synů Emora, otce Sichemova, za sto ovec.
20Hij richtte daar een altaar op, en riep den God van Israël aan.
20A postavil tu oltář, kterémužto dal jméno Bůh silný, Bůh Izraelský.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.