Genesis 36
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Dit zijn de nakomelingen van Esau of Edom.
1Tito jsou pak rodové Ezau, kterýž měl přijmí Edom.
2Esau had zich de volgende vrouwen uit de kanaänietische meisjes genomen: Ada, de dochter van den Chittiet Elon; Oholibama, de dochter van Ana, de kleindochter van den Chiwwiet Sibon;
2Ezau pojal sobě ženy ze dcer Kananejských, Adu, dceru Elona Hetejského, a Olibamu, dceru Anovu, dceru Sebeona Hevejského,
3Basemat, de dochter van Jisjmaël, de zuster van Nebajot.
3A Bazematu, dceru Izmaelovu, sestru Nabajotovu.
4Ada baarde aan Esau Elifaz; Basemat Reoeël;
4I porodila Ada Ezauchovi Elifaza, a Bazemat porodila Rahuele.
5Oholibama baarde Jeoesj, Jalam en Kórach. Dit zijn de zonen van Esau, die hem in het land Kanaän werden geboren.
5Olibama pak porodila Jehusa, a Jheloma, a Koré. Ti jsou synové Ezau, kteříž se mu zrodili v zemi Kananejské.
6Daarna nam Esau zijn vrouwen, zonen en dochters en allen, die tot zijn gezin behoorden, met zijn kudde, runderen en al de bezittingen, die hij in het land Kanaän verworven had, en trok van zijn broer Jakob weg naar een ander land.
6I pobral Ezau ženy své, i syny své, a dcery své, a všecku čeleď svou, i dobytek svůj, a všecka hovada svá, i všecko jmění své, kteréhož nabyl v zemi Kananejské, a odebral se do země Seir, před příchodem Jákoba bratra svého.
7Want zij bezaten te veel, om bij elkander te blijven; het land, waar zij woonden, kon hen wegens hun kudden niet onderhouden.
7Nebo zboží jejich bylo tak veliké, že nemohli bydliti spolu; aniž ta země, v níž oni pohostinu byli, mohla jich snésti, pro dobytky jejich.
8Esau of Edom ging zich dus in het gebergte Seïr vestigen.
8Protož bydlil Ezau na hoře Seir; Ezau pak ten jest Edom.
9Dit is de geslachtslijst van Esau, den vader van Edom, in het gebergte Seïr.
9A tak tito jsou rodové Ezau, otce Idumejských, na hoře Seir.
10Dit zijn de namen van Esau’s zonen: Elifaz, de zoon van Esau’s vrouw Ada; Reoeël, de zoon van Esau’s vrouw Basemat.
10Tato byla jména synů Ezau: Elifaz, syn Ady, ženy Ezau; Rahuel, syn Bazematy, ženy Ezau.
11De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz.
11Synové pak Elifazovi byli: Teman, Omar, Sefo, a Gatam a Kenaz.
12Timna was een bijvrouw van Esau’s zoon Elifaz, en zij baarde aan Elifaz Amalek. Dit waren dus zonen van Esau’s vrouw Ada.
12Tamna pak byla ženina Elifaza, syna Ezau. Ta porodila Elifazovi Amalecha. Ti jsou synové Ady, ženy Ezau.
13Dit waren de zonen van Reoeël: Náchat en Zérach, Sjamma en Mizza. Ze waren dus zonen van Esau’s vrouw Basemat.
13Synové pak Rahuelovi tito: Nahat, Zára, Samma a Méza. To byli synové Bazematy, ženy Ezau.
14Dit waren de zonen van Esau’s vrouw Oholibama, de dochter van Ana, en kleindochter van Sibon. Zij baarde aan Esau Jeoesj, Jalam en Kórach.
14A tito byli synové Olibamy, dcery Anovy, dcery Sebeonovy, ženy Ezau, kteráž porodila Ezauchovi Jehusa, Jheloma a Koré.
15Dit zijn de stamhoofden van Esau’s zonen: De zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Esau, zijn de stamhoofden van Teman, Omar, Sefo en Kenaz,
15Tito všickni byli knížata synů Ezau. Synové Elifaza prvorozeného Ezau: Kníže Teman, kníže Omar, kníže Sefo, kníže Kenaz,
16Kórach, Gatam en Amalek. Ze zijn de stamhoofden van de groep Elifaz in het land Edom. Ze zijn zonen van Ada.
16Kníže Koré, kníže Gatam, kníže Amalech. Ta jsou knížata pošlá z Elifaza v zemi Idumejské; ti jsou synové Ady.
17Dit zijn de zonen van Esau’s zoon Reoeël: De stamhoofden van Náchat, Zérach, Sjamma en Mizza. Ze zijn de stamhoofden van de groep Reoeël in het land van Edom. Ze zijn zonen van Esau’s vrouw Basemat.
17Tito pak jsou synové Rahuele, syna Ezau: Kníže Nahat, kníže Zára, kníže Samma, kníže Méza. Ta knížata pošla z Rahuele, v zemi Idumejské; to jsou synové Bazematy, ženy Ezau.
18Dit zijn de zonen van Esau’s vrouw Oholibama. De stamhoofden van Jeoesj, Jalam en Kórach. Ze zijn de stamhoofden van de groep Oholibama, de dochter van Ana, de vrouw van Esau.
18A synové Olibamy, ženy Ezau, tito jsou: Kníže Jehus, kníže Jhelom, kníže Koré. To jsou knížata z Olibamy, dcery Anovy, ženy Ezau.
19Dit zijn dus de zonen van Esau of Edom met hun stamhoofden.
19Tiť jsou synové Ezau, a ta knížata jejich; onť jest Edom.
20En dit zijn de zonen van den Choriet Seïr, de eigenlijke bewoners van het land: Lotan, Sjobal, Sibon, en Ana.
20Tito pak jsou synové Seir, totiž Horejští, obyvatelé země té: Lotan, Sobal, Sebeon a Ana,
21Verder Disjon, Éser en Disjan. Ze zijn de stamhoofden van de Chorieten, de zonen van Seïr, in het land Edom.
21A Dison, Eser a Dízan. Ta jsou knížata Horejská, synové Seir, v zemi Idumejské.
22De zonen van Lotan waren Chori en Hemam; de zuster van Lotan was Timna.
22Synové Lotanovi byli: Hori a Hemam; a sestra Lotanova Tamna.
23Dit zijn de zonen van Sjobal: Alwan, Manáchat, Ebal, Sjefo en Onam.
23Synové pak Sobalovi tito: Alvan, Manáhat, Ebal, Sefo a Onam.
24Dit zijn de zonen van Sibon: Ajja en Ana; dit is de Ana, die de hete bronnen vond in de woestijn, toen hij de ezels van zijn vader Sibon weidde.
24A tito synové Sebeonovi: Aia a Ana. To jest ten Ana, kterýž nalezl mezky na poušti, když pásl osly Sebeona otce svého.
25Dit zijn de kinderen van Ana: Disjon en Oholibama, de dochter van Ana.
25Tito pak děti Anovi: Dison a Olibama, dcera Anova.
26Dit zijn de zonen van Disjon: Chemdan, Esjban, Jitran en Keran.
26A synové Dízanovi tito: Hamdan, Eseban, Jetran a Charan.
27Dit zijn de zonen van Éser: Bilhan, Zaäwan en Akan.
27Synové Eser tito: Balaan, Závan a Achan.
28Dit zijn de zonen van Disjan: Oes en Aran.
28Tito synové Dízanovi: Hus a Aran.
29Dit zijn dus de stamhoofden van de Chorieten: de stamhoofden van Lotan, Sjobal, Sibon, Ana,
29Tato jsou knížata Horejská: Kníže Lotan, kníže Sobal, kníže Sebeon, kníže Ana,
30Disjon, Éser en Disjan. Het zijn de stamhoofden van de verschillende chorietische stammen in het land Seïr.
30Kníže Dison, kníže Eser, kníže Dízan. To byla knížata Horejská, po knížetstvích svých v zemi Seir.
31En dit zijn de koningen, die over het land Edom regeerden, eer er een koning heerste over de zonen Israëls.
31Tito pak byli králové, kteříž kralovali v zemi Idumejské, prvé než kraloval král nad syny Izraelskými.
32Béla, de zoon van Beor regeerde in Edom; zijn hofstad heette Dinhaba.
32Kraloval tedy v Edom Béla, syn Beorův, a jméno města jeho Denaba.
33Na de dood van Béla regeerde Jobab, de zoon van Zérach uit Bosra in zijn plaats.
33I umřel Béla, a kraloval místo něho Jobab, syn Záre z Bozra.
34Na de dood van Jobab regeerde Choesjam uit het land der Temanieten in zijn plaats.
34I umřel Jobab, a kraloval na místě jeho Husam z země Temanské.
35Na de dood van Choesjam regeerde Hadad, de zoon van Bedad in zijn plaats. Hij was het, die Midjan in de vlakten van Moab versloeg; zijn stad heette Awit.
35Umřel i Husam, a kraloval místo něho Adad, syn Badadův, kterýž porazil Madianské v krajině Moábské; a jméno města jeho Avith.
36Na de dood van Hadad regeerde Samla uit Masreka in zijn plaats.
36Když pak umřel Adad, kraloval místo něho Semla z Masreka.
37Na de dood van Samla regeerde Sjaoel uit Rechobot aan de rivier in zijn plaats.
37A po smrti Semlově kraloval na místě jeho Saul z Rohobot od řeky.
38Na de dood van Sjaoel regeerde Báal-Chanan, de zoon van Akbor in zijn plaats.
38Umřel i Saul, a kraloval místo něho Bálanan, syn Achoborův.
39Na de dood van Báal-Chanan, den zoon van Akbor, regeerde Hadar in zijn plaats zijn hofstad heette Paoe. Zijn vrouw heette Mehetabel, en was de dochter van Matred en kleindochter van Me-Zahab.
39A když i Bálanan umřel, syn Achoborův, kraloval na místě jeho Adar; a jméno města jeho Pahu; jméno pak ženy jeho Mehetabel, dcera Matredy, dcery Mezábovy.
40En dit zijn de namen van de stamhoofden van Esau volgens hun familie, en naar de naam van hun woonplaats. De stamhoofden van Timna, Alwa en Jetet,
40Ta jsou jména knížat pošlých z Ezau, po čeledech jejich, po místech jejich, vedlé jmen jejich: Kníže Tamna, kníže Alva, kníže Jetet,
41Oholibama, Ela en Pinon,
41Kníže Olibama, kníže Ela, kníže Finon.
42Kenaz, Teman en Mibsar,
42Kníže Kenaz, kníže Teman, kníže Mabsar.
43Magdiël en Iram. Dit zijn dus de stamhoofden van Edom volgens hun woonplaats in het land, dat zij in bezit hadden genomen. Tot zover over Esau, den stamvader van Edom.
43Kníže Magdiel, kníže Híram. Tať jsou knížata Idumejská, tak jakž kteří bydlili v zemi dědictví svého. Toť jest ten Ezau, otec Idumejských.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.