Genesis 36
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Dit zijn de nakomelingen van Esau of Edom.
1Hæ sunt autem generationes Esau, ipse est Edom.
2Esau had zich de volgende vrouwen uit de kanaänietische meisjes genomen: Ada, de dochter van den Chittiet Elon; Oholibama, de dochter van Ana, de kleindochter van den Chiwwiet Sibon;
2Esau accepit uxores de filiabus Chanaan: Ada filiam Elon Hethæi, et Oolibama filiam Anæ filiæ Sebeon Hevæi:
3Basemat, de dochter van Jisjmaël, de zuster van Nebajot.
3Basemath quoque filiam Ismaël sororem Nabaioth.
4Ada baarde aan Esau Elifaz; Basemat Reoeël;
4Peperit autem Ada Eliphaz: Basemath genuit Rahuel:
5Oholibama baarde Jeoesj, Jalam en Kórach. Dit zijn de zonen van Esau, die hem in het land Kanaän werden geboren.
5Oolibama genuit Jehus et Ihelon et Core. Hi filii Esau qui nati sunt ei in terra Chanaan.
6Daarna nam Esau zijn vrouwen, zonen en dochters en allen, die tot zijn gezin behoorden, met zijn kudde, runderen en al de bezittingen, die hij in het land Kanaän verworven had, en trok van zijn broer Jakob weg naar een ander land.
6Tulit autem Esau uxores suas et filios et filias, et omnem animam domus suæ, et substantiam, et pecora, et cuncta quæ habere poterat in terra Chanaan: et abiit in alteram regionem, recessitque a fratre suo Jacob.
7Want zij bezaten te veel, om bij elkander te blijven; het land, waar zij woonden, kon hen wegens hun kudden niet onderhouden.
7Divites enim erant valde, et simul habitare non poterant: nec sustinebat eos terra peregrinationis eorum præ multitudine gregum.
8Esau of Edom ging zich dus in het gebergte Seïr vestigen.
8Habitavitque Esau in monte Seir, ipse est Edom.
9Dit is de geslachtslijst van Esau, den vader van Edom, in het gebergte Seïr.
9Hæ autem sunt generationes Esau patris Edom in monte Seir,
10Dit zijn de namen van Esau’s zonen: Elifaz, de zoon van Esau’s vrouw Ada; Reoeël, de zoon van Esau’s vrouw Basemat.
10et hæc nomina filiorum ejus: Eliphaz filius Ada uxoris Esau: Rahuel quoque filius Basemath uxoris ejus.
11De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz.
11Fueruntque Eliphaz filii: Theman, Omar, Sepho, et Gatham, et Cenez.
12Timna was een bijvrouw van Esau’s zoon Elifaz, en zij baarde aan Elifaz Amalek. Dit waren dus zonen van Esau’s vrouw Ada.
12Erat autem Thamna concubina Eliphaz filii Esau: quæ peperit ei Amalech. Hi sunt filii Ada uxoris Esau.
13Dit waren de zonen van Reoeël: Náchat en Zérach, Sjamma en Mizza. Ze waren dus zonen van Esau’s vrouw Basemat.
13Filii autem Rahuel: Nahath et Zara, Samma et Meza: hi filii Basemath uxoris Esau.
14Dit waren de zonen van Esau’s vrouw Oholibama, de dochter van Ana, en kleindochter van Sibon. Zij baarde aan Esau Jeoesj, Jalam en Kórach.
14Isti quoque erant filii Oolibama filiæ Anæ filiæ Sebeon, uxoris Esau, quos genuit ei, Jehus et Ihelon et Core.
15Dit zijn de stamhoofden van Esau’s zonen: De zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Esau, zijn de stamhoofden van Teman, Omar, Sefo en Kenaz,
15Hi duces filiorum Esau: filii Eliphaz primogeniti Esau: dux Theman, dux Omra, dux Sepho, dux Cenez,
16Kórach, Gatam en Amalek. Ze zijn de stamhoofden van de groep Elifaz in het land Edom. Ze zijn zonen van Ada.
16dux Core, dux Gathan, dux Amalech. Hi filii Eliphaz in terra Edom, et hi filii Ada.
17Dit zijn de zonen van Esau’s zoon Reoeël: De stamhoofden van Náchat, Zérach, Sjamma en Mizza. Ze zijn de stamhoofden van de groep Reoeël in het land van Edom. Ze zijn zonen van Esau’s vrouw Basemat.
17Hi quoque filii Rahuel filii Esau: dux Nahath, dux Zara, dux Samma, dux Meza: hi autem duces Rahuel in terra Edom: isti filii Basemath uxoris Esau.
18Dit zijn de zonen van Esau’s vrouw Oholibama. De stamhoofden van Jeoesj, Jalam en Kórach. Ze zijn de stamhoofden van de groep Oholibama, de dochter van Ana, de vrouw van Esau.
18Hi autem filii Oolibama uxoris Esau: dux Jehus, dux Ihelon, dux Core: hi duces Oolibama filiæ Anæ uxoris Esau.
19Dit zijn dus de zonen van Esau of Edom met hun stamhoofden.
19Isti sunt filii Esau, et hi duces eorum: ipse est Edom.
20En dit zijn de zonen van den Choriet Seïr, de eigenlijke bewoners van het land: Lotan, Sjobal, Sibon, en Ana.
20Isti sunt filii Seir Horræi, habitatores terræ: Lotan, et Sobal, et Sebeon, et Ana,
21Verder Disjon, Éser en Disjan. Ze zijn de stamhoofden van de Chorieten, de zonen van Seïr, in het land Edom.
21et Dison, et Eser, et Disan: hi duces Horræi, filii Seir in terra Edom.
22De zonen van Lotan waren Chori en Hemam; de zuster van Lotan was Timna.
22Facti sunt autem filii Lotan: Hori et Heman. Erat autem soror Lotan, Thamna.
23Dit zijn de zonen van Sjobal: Alwan, Manáchat, Ebal, Sjefo en Onam.
23Et isti filii Sobal: Alvan et Manahat et Ebal, et Sepho et Onam.
24Dit zijn de zonen van Sibon: Ajja en Ana; dit is de Ana, die de hete bronnen vond in de woestijn, toen hij de ezels van zijn vader Sibon weidde.
24Et hi filii Sebeon: Aja et Ana. Iste est Ana qui invenit aquas calidas in solitudine, cum pasceret asinos Sebeon patris sui:
25Dit zijn de kinderen van Ana: Disjon en Oholibama, de dochter van Ana.
25habuitque filium Dison, et filiam Oolibama.
26Dit zijn de zonen van Disjon: Chemdan, Esjban, Jitran en Keran.
26Et isti filii Dison: Hamdan, et Eseban, et Jethram, et Charan.
27Dit zijn de zonen van Éser: Bilhan, Zaäwan en Akan.
27Hi quoque filii Eser: Balaan, et Zavan, et Acan.
28Dit zijn de zonen van Disjan: Oes en Aran.
28Habuit autem filios Disan: Hus et Aram.
29Dit zijn dus de stamhoofden van de Chorieten: de stamhoofden van Lotan, Sjobal, Sibon, Ana,
29Hi duces Horræorum: dux Lotan, dux Sobal, dux Sebeon, dux Ana,
30Disjon, Éser en Disjan. Het zijn de stamhoofden van de verschillende chorietische stammen in het land Seïr.
30dux Dison, dux Eser, dux Disan: isti duces Horræorum qui imperaverunt in terra Seir.
31En dit zijn de koningen, die over het land Edom regeerden, eer er een koning heerste over de zonen Israëls.
31Reges autem qui regnaverunt in terra Edom antequam haberent regem filii Israël, fuerunt hi:
32Béla, de zoon van Beor regeerde in Edom; zijn hofstad heette Dinhaba.
32Bela filius Beor, nomenque urbis ejus Denaba.
33Na de dood van Béla regeerde Jobab, de zoon van Zérach uit Bosra in zijn plaats.
33Mortuus est autem Bela, et regnavit pro eo Jobab filius Zaræ de Bosra.
34Na de dood van Jobab regeerde Choesjam uit het land der Temanieten in zijn plaats.
34Cumque mortuus esset Jobab, regnavit pro eo Husam de terra Themanorum.
35Na de dood van Choesjam regeerde Hadad, de zoon van Bedad in zijn plaats. Hij was het, die Midjan in de vlakten van Moab versloeg; zijn stad heette Awit.
35Hoc quoque mortuo, regnavit pro eo Adad filius Badad, qui percussit Madian in regione Moab: et nomen urbis ejus Avith.
36Na de dood van Hadad regeerde Samla uit Masreka in zijn plaats.
36Cumque mortuus esset Adad, regnavit pro eo Semla de Masreca.
37Na de dood van Samla regeerde Sjaoel uit Rechobot aan de rivier in zijn plaats.
37Hoc quoque mortuo regnavit pro eo Saul de fluvio Rohoboth.
38Na de dood van Sjaoel regeerde Báal-Chanan, de zoon van Akbor in zijn plaats.
38Cumque et hic obiisset, successit in regnum Balanan filius Achobor.
39Na de dood van Báal-Chanan, den zoon van Akbor, regeerde Hadar in zijn plaats zijn hofstad heette Paoe. Zijn vrouw heette Mehetabel, en was de dochter van Matred en kleindochter van Me-Zahab.
39Isto quoque mortuo regnavit pro eo Adar, nomenque urbis ejus Phau: et appellabatur uxor ejus Meetabel, filia Matred filiæ Mezaab.
40En dit zijn de namen van de stamhoofden van Esau volgens hun familie, en naar de naam van hun woonplaats. De stamhoofden van Timna, Alwa en Jetet,
40Hæc ergo nomina ducum Esau in cognationibus, et locis, et vocabulis suis: dux Thamna, dux Alva, dux Jetheth,
41Oholibama, Ela en Pinon,
41dux Oolibama, dux Ela, dux Phinon,
42Kenaz, Teman en Mibsar,
42dux Cenez, dux Theman, dux Mabsar,
43Magdiël en Iram. Dit zijn dus de stamhoofden van Edom volgens hun woonplaats in het land, dat zij in bezit hadden genomen. Tot zover over Esau, den stamvader van Edom.
43dux Magdiel, dux Hiram: hi duces Edom habitantes in terra imperii sui, ipse est Esau pater Idumæorum.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.