Genesis 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Toen zegende God Noë met zijn zonen, en sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en bevolkt de aarde.
1E IDDIO benedisse Noè, e i suoi figliuoli; e disse loro; Fruttate, e moltiplicate, e riempiete la terra.
2Vrees en schrik voor u zal heersen bij alle dieren op de aarde en bij alle vogels in de lucht; al wat over de aarde kruipt en alle vissen in de zee zijn onderworpen aan uw macht.
2E la paura e lo spavento di voi sia sopra tutte le bestie della terra, e sopra tutti gli uccelli del cielo; essi vi son dati nelle mani, insieme con tutto ciò che serpe sopra la terra, e tutti i pesci del mare.
3Alles, wat beweegt en leeft zal u tot voedsel strekken; met het groene gewas geef Ik dit alles aan u.
3Ogni cosa che si muove, ed ha vita, vi sarà per cibo; io ve le do tutte, come l'erbe verdi.
4Alleen het vlees, waarin de ziel nog woont, die het bloed is, moogt ge niet eten.
4Ma pur non mangiate la carne con l'anima sua, ch'è il suo sangue.
5Maar uw eigen levensbloed zal Ik wreken; van alle dieren zal Ik het terugeisen, zowel als van de mensen; van iedereen zal Ik het leven van den evenmens terugvorderen.
5E certamente io ridomanderò conto del vostro sangue, per le vostre persone; io ne ridomanderò conto ad ogni bestia, ed agli uomini; io ridomanderò conto della vita dell'uomo a qualunque suo fratello.
6Wie het bloed van een mens vergiet, Diens bloed zal door mensen worden vergoten; Want als zijn beeld heeft God den mens gemaakt.
6Il sangue di colui che spanderà il sangue dell'uomo sarà sparso dall'uomo; perciocchè Iddio ha fatto l'uomo alla sua immagine.
7Gij dan weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; wordt talrijk op de aarde, en bevolkt haar.
7Voi dunque fruttate e moltiplicate; generate copiosamente sulla terra, e crescete in essa.
8Daarop sprak God tot Noë en zijn zonen:
8Poi Iddio parlò a Noè, ed a' suoi figliuoli con lui, dicendo:
9Zie, Ik zelf, Ik sluit mijn verbond met u, en met uw kroost na u,
9E quant'è a me, ecco, io fermo il mio patto con voi, e con la vostra progenie dopo voi;
10en met alle levende wezens, die bij u zijn: met de vogels, de viervoetige dieren en alle dieren der aarde, met al wat uit de ark is gekomen, met al wat op de aarde leeft.
10e con ogni animal vivente ch' è con voi, così degli uccelli, come degli animali domestici, e di tutte le fiere della terra, con voi; così con quelle che sono uscite fuor dell'Arca, come con ogni altra bestia della terra.
11Ik sluit met u mijn verbond, dat nooit meer een schepsel door de wateren van de zondvloed zal worden verdelgd, en dat er nooit meer een zondvloed zal komen om de aarde te verwoesten.
11Io fermo il mio patto con voi, che ogni carne non sarà più distrutta per le acque del diluvio, e che non vi sarà più diluvio, per guastar la terra.
12En God sprak: Dit is het teken van het verbond, Dat Ik sluit voor alle geslachten, die komen: Tussen Mij en tussen u, En alle levende wezens, die bij u zijn.
12Oltre a ciò, Iddio disse: Questo sarà il segno del patto che io fo fra me e voi e tutti gli animali viventi, che son con voi, in perpetuo per ogni generazione.
13Mijn boog zet Ik in de wolken Als een teken van het verbond tussen Mij en de aarde!
13Io ho messo il mio Arco nella nuvola; ed esso sarà per segno del patto fra me e la terra.
14Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak, En de boog verschijnt in de wolken,
14Ed avverrà che, quando io avrò coperta la terra di nuvole, l'Arco apparirà nella nuvola.
15Dan zal Ik mijn verbond gedenken Tussen Mij en u en alle levende wezens. De wateren zullen nooit meer zwellen tot een zondvloed, Om alle vlees te verdelgen.
15Ed io mi ricorderò del mio patto, ch' è fra me e voi, ed ogni animal vivente, di qualunque carne; e le acque non faranno più diluvio, per distruggere ogni carne.
16Als de boog in de wolken staat, Zal Ik hem zien, om het eeuwig verbond te gedenken Tussen God en alle levende wezens, Alle schepselen, die op aarde zijn.
16L'Arco adunque sarà nella nuvola, ed io lo riguarderò, per ricordarmi del patto perpetuo, fra Dio ed ogni animal vivente, di qualunque carne ch' è sopra la terra.
17En God sprak tot Noë: Dit is het teken van het verbond, dat Ik gesloten heb tussen Mij en alle schepselen, die op aarde zijn.
17Così Iddio disse a Noè: Questo è il segno del patto, che io ho fermato fra me ed ogni carne ch' è sopra la terra.
18De zonen van Noë, die de ark verlieten, waren Sem, Cham en Jáfet; Cham was de vader van Kanaän.
18OR i figliuoli di Noè, che uscirono fuor dell'Arca, furono Sem, Cam e Iafet.
19Dit waren de drie zonen van Noë, en door hen werd de hele aarde bevolkt.
19E Cam fu padre di Canaan. Questi tre furono figliuoli di Noè; e da essi, sparsi per tutta la terra, ella è stata popolata.
20Noë begon het land te bebouwen, en plantte een wijngaard.
20E Noè cominciò ad esser lavorator della terra e piantò la vigna.
21Hij dronk van de wijn, werd er door bedwelmd, en lag naakt in zijn tent.
21E bevve del vino, e s'inebbriò, e si scoperse in mezzo del suo tabernacolo.
22Toen Cham, de vader van Kanaän, de schaamte van zijn vader zag, ging hij het buiten aan zijn twee broers vertellen.
22E Cam, padre di Canaan, vide le vergogne di suo padre, e lo rapportò fuori a' suoi due fratelli.
23Maar Sem en Jáfet haalden een mantel, legden die allebei op hun schouders, liepen achterwaarts binnen, en met afgewend gelaat bedekten ze de schaamte van hun vader, zodat ze de schaamte van hun vader niet zagen.
23Ma Sem e Iafet presero un mantello, e se lo misero amendue in su le spalle; e, camminando a ritroso, copersero le vergogne del padre loro; e le faccie loro erano volte indietro, tal che non videro le vergogne del padre loro.
24Toen Noë uit zijn roes was ontwaakt, en vernam, wat zijn jongste zoon hem had gedaan,
24E, quando Noè si fu svegliato dal suo vino, seppe ciò che gli avea fatto il suo figliuol minore.
25sprak hij: Vervloekt zij Kanaän, Een slaaf der slaven zal hij zijn voor zijn broeders.
25E disse: Maledetto sia Canaan; sia servo de' servi de' suoi fratelli.
26Hij sprak: Gezegend zij Jahweh, de God van Sem, Kanaän zij hem tot slaaf.
26Ma disse: Benedetto sia il Signore Iddio di Sem, e sia Canaan lor servo.
27Moge God voor Jáfet ruimte maken, Dat hij wone in de tenten van Sem; Kanaän zij hem tot slaaf.
27Iddio allarghi Iafet, ed abiti egli ne' tabernacoli di Sem; e sia Canaan lor servo.
28Noë leefde na de zondvloed nog driehonderd vijftig jaar.
28E Noè visse dopo il diluvio trecencinquant'anni.
29Heel de levensduur van Noë was negenhonderd vijftig jaar. En hij stierf.
29E tutto il tempo che Noè visse fu novecencinquent'anni; poi morì.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.