Genesis 44
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
1Daarna gaf hij zijn hofmeester het volgende bevel: Vul de zakken van die mannen met levensmiddelen, zoveel als ze maar kunnen dragen, en leg het geld van ieder boven in zijn zak.
1И заповеди Јосиф човеку што управљаше кућом његовом говорећи: Наспи овим људима у вреће жита колико могу понети, и свакоме у врећу метни озго новце његове.
2Maar mijn eigen zilveren beker moet ge boven in de zak van den jongste leggen bij het geld voor zijn koren. Hij deed, wat Josef hem bevolen had.
2И чашу моју, чашу сребрну, метни најмлађем у врећу одозго и новце за његово жито. И учини како му Јосиф рече.
3Vroeg in de morgen liet men de mannen met hun ezels vertrekken.
3А ујутру кад свану, отпустише људе с магарцима њиховим.
4Maar zij waren nog niet ver buiten de stad, toen Josef tot zijn hofmeester zeide: Vooruit, jaag die mannen na, en als ge ze ingehaald hebt, zeg hun dan: “Waarom vergeldt ge goed met kwaad?
4А кад изађоше из места и још не беху далеко, рече Јосиф човеку што управљаше кућом његовом: Устани, иди брже за оним људима, и кад их стигнеш реци им: Зашто враћате зло за добро?
5Waarom hebt ge de zilveren beker gestolen, en nog wel die, waar mijn heer uit drinkt en waaruit hij de toekomst voorspelt. Ge hebt daar slecht mee gedaan.”
5Није ли то чаша из које пије мој господар? И неће ли по њој зацело познати какви сте? Зло сте радили што сте то учинили.
6Toen hij hen had ingehaald, sprak hij hen toe, zoals was bevolen.
6И он их стиже, и рече им тако.
7Zij antwoordden: Hoe kan mijn heer nu zo iets zeggen? Zo iets zouden uw dienaren zeker niet doen.
7А они му рекоше: Зашто говориш, господару, такве речи? Сачувај Боже да слуге твоје учине такво шта!
8Zie, het geld, dat wij boven in onze zakken hadden gevonden, hebben we u uit het land Kanaän teruggebracht. Hoe zouden we dan zilver of goud uit het huis van uw heer durven stelen?
8Ено смо ти донели натраг из земље хананске новце које нађосмо озго у врећама својим, па како бисмо украли из куће господара твог сребро или злато?
9Hij, bij wien de beker gevonden wordt, zal sterven; en de anderen van ons zullen de slaven zijn van uw heer.
9У ког се између слуга твојих нађе, онај нека погине, и сврх тога ми ћемо бити робови господару мом.
10Hij zeide toen: Eigenlijk moest het gebeuren, zoals ge zegt. Maar zo zal het wezen: bij wien de beker gevonden wordt, hij zal mijn slaaf zijn; maar de anderen van u gaan vrij uit.
10А он рече: Нека буде како рекосте; али у кога се нађе, онај да ми буде роб, а ви остали нећете бити криви.
11Toen zette ieder van hen vlug zijn zak op de grond, en maakte hem open.
11И брже поскидаше сви на земљу вреће своје, и разрешише сваки своју врећу.
12Hij begon zijn onderzoek bij den oudste om te eindigen bij den jongste; en de beker werd in de zak van Benjamin gevonden.
12А он стаде тражити почевши од најстаријег, и кад дође на најмлађег, нађе се чаша у врећи Венијаминовој.
13Nu scheurden zij allen hun kleren, laadden hun zak weer op hun ezels, en keerden terug naar de stad.
13Тада раздреше хаљине своје, и натоваривши сваки свој товар на свог магарца вратише се у град.
14Zo kwamen Juda en zijn broers aan het huis van Josef, waar deze nog altijd vertoefde, en wierpen zich voor hem op de grond.
14И дође Јуда с браћом својом Јосифу у кућу, док он још беше код куће, и падоше пред њим на земљу.
15Josef sprak hen aan: Wat hebt ge gedaan; begreept ge dan niet, dat iemand als ik een goed waarzegger is?
15А Јосиф им рече: Шта сте то учинили? Зар нисте знали да човек као што сам ја може зацело дознати?
16Juda zeide: Wat zullen we onzen heer antwoorden, wat zullen we zeggen, hoe ons rechtvaardigen? God wreekt de schuld van uw dienaren. Zie, wij zijn de slaven van onzen heer, wij met hem, bij wien de beker is gevonden.
16Тада рече Јуда: Шта да ти кажемо, господару? Шта да говоримо? Како ли да се правдамо? Бог је открио злочинство твојих слуга. Ево, ми смо сви робови твоји, господару, и ми и овај у кога се нашла чаша.
17Hij sprak: Ik denk er niet aan, zo iets te doen; alleen de man, bij wien de beker is gevonden, zal mijn slaaf zijn, maar gij kunt in vrede naar uw vader gaan.
17А Јосиф рече: Боже сачувај! Нећу ја то; у кога се нашла чаша он нека ми буде роб, а ви идите с миром оцу свом.
18Nu trad Juda naar voren, en sprak: Met uw verlof, heer! Laat uw dienaar een enkel woord tot mijn heer mogen spreken, zonder dat gij toornig wordt op uw dienaar; want gij zijt verheven als Farao!
18Али Јуда приступив к њему рече: Чуј ме, господару; допусти да проговори слуга твој господару свом, и нека се гнев твој не распали на слугу твог, јер си ти као сам Фараон.
19Mijn heer heeft aan zijn dienaars gevraagd: “Hebt gij nog een vader of een broer?”
19Господар мој запита слуге своје говорећи: Имате ли оца или брата?
20Wij hebben onzen heer toen geantwoord: “Wij hebben een ouden vader en een jongen broer, die hem op zijn oude dag is geboren. Zijn broer is dood, zijn moeder heeft hem alleen nog over, en hij is de lieveling van zijn vader”.
20А ми рекосмо господару свом: Имамо старог оца и брата најмлађег, који му се роди у старости; а његов је брат умро, и он оста сам од матере своје, и отац га пази.
21Gij hebt toen tot uw dienaars gezegd: “Brengt hem naar mij toe, opdat ik hem met eigen ogen kan zien”.
21А ти рече слугама својим: Доведите ми га да видим својим очима.
22Wij hebben onzen heer geantwoord: “De jongen kan niet weg van zijn vader; zijn vader zou sterven, als hij hem verliet”.
22И рекосмо господару свом: Неће моћи дете оставити оца свог; да остави оца свог, одмах ће отац умрети.
23Maar gij hebt toen uw dienaars gedreigd: “Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als uw jongste broer niet met u mee komt”.
23А ти рече слугама својим: Ако не дође брат ваш најмлађи, нећете видети лице моје.
24Nadat wij dus waren teruggekeerd naar onzen vader, uw dienaar, hebben wij hem de woorden van onzen heer meegedeeld.
24А кад се вратисмо к слузи твом а оцу мом, казасмо му речи господара мог.
25En toen onze vader beval: “Gaat weer wat levensmiddelen voor ons kopen”
25После рече нам отац: Идите опет, купите нам хране.
26hebben we geantwoord: “Zo kunnen we niet gaan! Alleen als onze jongste broer met ons meegaat, zullen we vertrekken; want we durven dien man niet meer onder de ogen komen, als onze jongste broeder ons niet vergezelt”.
26А ми рекосмо: Не можемо ићи, осим ако буде брат наш најмлађи с нама, онда ћемо ићи, јер не можемо видети лица оног човека, ако не буде с нама брат наш најмлађи.
27Toen sprak mijn vader, uw dienaar, tot ons: “Ge weet, dat mijn vrouw mij maar twee zonen heeft geschonken.
27А слуга твој, отац мој, рече нам: Знате да ми је жена родила два сина.
28De een is van mij heengegaan; ik denk dat hij verscheurd is, want ik heb hem nooit meer gezien.
28И један од њих отиде од мене, и рекох: Зацело га је раскинула зверка; и до сада га не видех.
29Als ge nu ook dezen van mij wegneemt, en hem een ongeluk overkomt, dan zoudt ge mijn grijze haren met kommer ten grave doen dalen”.
29Ако и овог одведете од мене и задеси га како зло, свалићете ме старог у гроб с тугом.
30Wanneer ik nu dus terugkom bij mijn vader, uw dienaar, en de knaap, aan wien hij met heel zijn ziel hangt, ons niet vergezelt,
30Па сада да отидем к слузи твом, оцу свом, а ово дете да не буде с нама, како је душа оног везана за душу овог,
31dan zal hij sterven, als hij ziet, dat de jongen er niet is, en uw dienaars zullen de grijze haren van onzen vader, uw dienaar, met kommer ten grave doen dalen.
31умреће кад види да нема детета, те ће слуге твоје свалити старог слугу твог, а оца свог, с тугом у гроб.
32Waarachtig, uw dienaar is borg gebleven voor den knaap bij mijn vader, en heeft hem gezegd: “Als ik hem niet bij u terugbreng, blijf ik mijn leven lang schuldig voor mijn vader.”
32А твој се слуга подјемчио за дете оцу свом рекавши: Ако ти га не доведем натраг, да сам крив оцу свом до века.
33Laat dus uw dienaar, in plaats van den jongen, als slaaf van mijn heer achterblijven, maar laat de knaap met zijn broers vertrekken.
33Зато нека слуга твој остане место детета, да буде роб господару мом, а дете нека иде с браћом својом.
34Want hoe zou ik naar mijn vader durven terugkeren, als de jongen mij niet vergezelt! Ik zou de smart niet kunnen aanzien, die mijn vader zou treffen.
34Јер како бих се вратио к оцу свом без детета, да гледам јаде који би ми оца задесили?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.