Genesis 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Maar zij had een egyptische slavin, Hagar genaamd.
1Now Sarai Abram's wife bore him no children; and she had a handmaid, an Egyptian, whose name was Hagar.
2En Sarai zeide tot Abram: Zie, Jahweh heeft mijn schoot gesloten; ga dus tot mijn slavin: misschien krijg ik kinderen van haar. Abram stemde met Sarai in.
2And Sarai said unto Abram: 'Behold now, the LORD hath restrained me from bearing; go in, I pray thee, unto my handmaid; it may be that I shall be builded up through her.' And Abram hearkened to the voice of Sarai.
3En Sarai, Abrams vrouw, nam Hagar, haar egyptische slavin, en gaf ze tot vrouw aan Abram, haar man; Abram woonde toen al tien jaar in het land Kanaän.
3And Sarai Abram's wife took Hagar the Egyptian, her handmaid, after Abram had dwelt ten years in the land of Canaan, and gave her to Abram her husband to be his wife.
4Hij hield gemeenschap met Hagar, en zij werd zwanger. Toen zij bemerkte, dat zij zwanger was, zag zij minachtend op haar meesteres neer.
4And he went in unto Hagar, and she conceived; and when she saw that she had conceived, her mistress was despised in her eyes.
5Daarom sprak Sarai tot Abram: Gij zijt de schuld van mijn smaad. Ik zelf heb mijn slavin in uw schoot gelegd, en nu zij ziet, dat ze zwanger is, veracht ze mij. Moge Jahweh richten tussen mij en u.
5And Sarai said unto Abram: 'My wrong be upon thee: I gave my handmaid into thy bosom; and when she saw that she had conceived, I was despised in her eyes: the LORD judge between me and thee.'
6Abram gaf Sarai ten antwoord: Welnu, uw slavin is in uw macht; doe met haar wat ge wilt. Toen begon Sarai haar te kwellen, zodat zij de vlucht voor haar nam.
6But Abram said unto Sarai: 'Behold, thy maid is in thy hand; do to her that which is good in thine eyes.' And Sarai dealt harshly with her, and she fled from her face.
7De engel van Jahweh trof haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sjoer.
7And the angel of the LORD found her by a fountain of water in the wilderness, by the fountain in the way to Shur.
8Hij sprak: Hagar, dienstmaagd van Sarai, waar komt ge vandaan, en waar gaat ge heen? Zij zeide: Ik ben op de vlucht voor Sarai, mijn meesteres.
8And he said: 'Hagar, Sarai's handmaid, whence camest thou? and whither goest thou?' And she said: 'I flee from the face of my mistress Sarai.'
9De engel van Jahweh sprak toen tot haar: Keer terug naar uw meesteres, en verneder u voor haar.
9And the angel of the LORD said unto her: 'Return to thy mistress, and submit thyself under her hands.'
10En de engel van Jahweh ging voort: Uw kroost zal Ik zó talrijk maken, dat men het om zijn menigte niet meer kan tellen.
10And the angel of the LORD said unto her: 'I will greatly multiply thy seed, that it shall not be numbered for multitude.
11Nog sprak de engel van Jahweh tot haar: Zie, ge zijt zwanger; een zoon zult ge baren, En hem de naam van Jisjmaël geven; Want Jahweh heeft naar uw schreien gehoord.
11And the angel of the LORD said unto her: 'Behold, thou art with child, and shalt bear a son; and thou shalt call his name Ishmael, because the LORD hath heard thy affliction.
12Hij zal een menselijke woudezel zijn, Zijn hand zal tegen allen wezen, En de hand van allen tegen hem; Verwijderd van al zijn broers zal hij wonen.
12And he shall be a wild ass of a man: his hand shall be against every man, and every man's hand against him; and he shall dwell in the face of all his brethren.'
13Toen noemde zij Jahweh, die met haar had gesproken: “Gij zijt een God, dien ik zie”. Want ze zeide: Waarachtig, ik heb God gezien; en ik leef nog, nadat ik gezien heb.
13And she called the name of the LORD that spoke unto her, Thou art a God of seeing; for she said: 'Have I even here seen Him that seeth Me?'
14Die put heet daarom de put Lachai-Roï; hij ligt tussen Kadesj en Béred.
14Wherefore the well was called 'Beer-lahai-roi; behold, it is between Kadesh and Bered.
15Zo schonk Hagar aan Abram een zoon, en Abram noemde den zoon, dien Hagar hem baarde, Jisjmaël.
15And Hagar bore Abram a son; and Abram called the name of his son, whom Hagar bore, Ishmael.
16Abram was zes en tachtig jaar oud, toen Hagar hem Jisjmaël baarde.
16And Abram was fourscore and six years old, when Hagar bore Ishmael to Abram.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.