Genesis 29
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Toen begaf Jakob zich weer op weg, en ging naar het land der Oosterlingen.
1Then Jacob went on his journey, and came to the land of the children of the east.
2Daar zag hij in het veld een put, waarbij drie kudden schapen waren gelegerd; want uit die put werden de kudden gedrenkt. Daar de steen, die de put bedekte, groot was,
2And he looked, and behold a well in the field, and, lo, three flocks of sheep lying there by it. — For out of that well they watered the flocks. And the stone upon the well's mouth was great.
3rolde men eerst de steen van de opening van de put, als alle kudden daar waren verzameld; en als men de kudden had laten drinken, wentelde men de steen weer op zijn plaats, op de opening van de put.
3And thither were all the flocks gathered; and they rolled the stone from the well's mouth, and watered the sheep, and put the stone back upon the well's mouth in its place. —
4Jakob sprak hen aan: Broeders, waar komt gij vandaan? Zij antwoordden: Wij zijn van Charan.
4And Jacob said unto them: 'My brethren, whence are ye?' And they said: 'Of Haran are we.'
5Hij vervolgde: Kent gij dan Laban, den zoon van Nachor? Zij zeiden: Ja!
5And he said unto them: 'Know ye Laban the son of Nahor?' And they said: 'We know him.'
6Hij vroeg hun: Gaat het hem goed? Ze zeiden: Uitstekend; zie, daar komt juist zijn dochter Rachel aan met de kudde.
6And he said unto them: 'Is it well with him?' And they said: 'It is well; and, behold, Rachel his daughter cometh with the sheep.'
7Toen hernam hij: Het is nog volop dag, en nog lang geen tijd, om de kudden bijeen te drijven; geeft dus de kudden te drinken, en laat ze nog grazen.
7And he said: 'Lo, it is yet high day, neither is it time that the cattle should be gathered together; water ye the sheep, and go and feed them.'
8Ze zeiden: Dat kunnen we niet, voordat alle kudden bijeen zijn; dan wordt de steen van de put gewenteld, en kunnen we het vee te drinken geven.
8And they said: 'We cannot, until all the flocks be gathered together, and they roll the stone from the well's mouth; then we water the sheep.'
9Nog was hij met hen in gesprek, toen Rachel naderde met de kudde van haar vader; want zij was een herderin.
9While he was yet speaking with them, Rachel came with her father's sheep; for she tended them.
10Zodra Jakob Rachel, de dochter van zijn oom Laban, met de kudde van zijn oom Laban zag, trad hij vooruit, om de steen van de putopening te wentelen en de kudde van zijn oom Laban te drenken.
10And it came to pass, when Jacob saw Rachel the daughter of Laban his mother's brother, and the sheep of Laban his mother's brother, that Jacob went near, and rolled the stone from the well's mouth, and watered the flock of Laban his mother's brother.
11Daarop kuste Jakob Rachel, en weende hardop.
11And Jacob kissed Rachel, and lifted up his voice, and wept.
12En toen Jakob Rachel had meegedeeld, dat hij de neef van haar vader was en de zoon van Rebekka, ging Rachel het vlug aan haar vader vertellen.
12And Jacob told Rachel that he was her father's brother, and that he was Rebekah's son; and she ran and told her father.
13Zodra Laban het nieuws over Jakob, den zoon van zijn zuster, vernam, liep hij hem tegemoet, omhelsde en kuste hem, en leidde hem zijn huis binnen. Daar vertelde hij Laban al wat er gebeurd was.
13And it came to pass, when Laban heard the tidings of Jacob his sister's son, that he ran to meet him, and embraced him, and kissed him, and brought him to his house. And he told Laban all these things.
14En Laban zeide hem: Waarachtig, gij zijt mijn gebeente en vlees! En hij bleef een volle maand bij hem.
14And Laban said to him: 'Surely thou art my bone and my flesh.' And he abode with him the space of a month.
15Daarna zei Laban tot Jakob: Zoudt ge, omdat ge mijn broeder zijt, mij dienen om niet? Zeg me, wat voor loon ge wilt hebben.
15And Laban said unto Jacob: 'Because thou art my brother, shouldest thou therefore serve me for nought? tell me, what shall thy wages be?'
16Nu had Laban twee dochters: de oudste heette Lea, de jongste Rachel;
16Now Laban had two daughters: the name of the elder was Leah, and the name of the younger was Rachel.
17Lea had fletse ogen, maar Rachel was kloek van gestalte en knap van uiterlijk.
17And Leah's eyes were weak; but Rachel was of beautiful form and fair to look upon.
18En daar Jakob Rachel beminde, gaf hij ten antwoord: Ik zal u zeven jaar dienen voor Rachel, uw jongste dochter.
18And Jacob loved Rachel; and he said: 'I will serve thee seven years for Rachel thy younger daughter.'
19En Laban antwoordde: Ik geef ze liever aan u dan aan een vreemde; blijf dus bij mij.
19And Laban said: 'It is better that I give her to thee, than that I should give her to another man; abide with me.'
20Zo diende Jakob om Rachel zeven jaar lang; doch ze leken hem maar enkele dagen, zoveel hield hij van haar.
20And Jacob served seven years for Rachel; and they seemed unto him but a few days, for the love he had to her.
21Toen zei Jakob tot Laban: Geef mij mijn vrouw; want mijn tijd is om, en ik wil gemeenschap met haar houden.
21And Jacob said unto Laban: 'Give me my wife, for my days are filled, that I may go in unto her.'
22Nu nodigde Laban alle mannen van de stad uit, en richtte een feestmaal aan.
22And Laban gathered together all the men of the place, and made a feast.
23Maar toen het avond was geworden, haalde hij zijn dochter Lea, en leidde haar tot hem; en hij hield gemeenschap met haar.
23And it came to pass in the evening, that he took Leah his daughter, and brought her to him; and he went in unto her.
24Laban gaf zijn dienstmaagd Zilpa mee als slavin voor zijn dochter Lea.
24And Laban gave Zilpah his handmaid unto his daughter Leah for a handmaid.
25De volgende morgen: daar was het Lea! Nu zei hij tot Laban: Wat hebt ge me nu gedaan? Heb ik u niet om Rachel gediend? Waarom hebt ge me dan bedrogen?
25And it came to pass in the morning that, behold, it was Leah; and he said to Laban: 'What is this thou hast done unto me? did not I serve with thee for Rachel? wherefore then hast thou beguiled me?'
26Laban antwoordde: Het is hier in ons land geen gewoonte, om de jongste vóór de oudste uit te huwen.
26And Laban said: 'It is not so done in our place, to give the younger before the first-born.
27Breng dus eerst maar met deze de bruiloftsweek door, dan zal ik u ook de andere geven, als ge me opnieuw zeven jaren wilt dienen.
27Fulfil the week of this one, and we will give thee the other also for the service which thou shalt serve with me yet seven other years.'
28Jakob deed het, en bracht met haar de bruiloftsweek door. Toen gaf Laban hem zijn dochter Rachel tot vrouw.
28And Jacob did so, and fulfilled her week; and he gave him Rachel his daughter to wife.
29Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha als slavin mee.
29And Laban gave to Rachel his daughter Bilhah his handmaid to be her handmaid.
30Ook met Rachel had Jakob gemeenschap; en hij hield meer van haar dan van Lea. Zo diende hij hem opnieuw zeven jaren.
30And he went in also unto Rachel, and he loved Rachel more than Leah, and served with him yet seven other years.
31Toen Jahweh zag, dat Lea achteruit werd gezet, opende Hij haar schoot, terwijl Rachel kinderloos bleef.
31And the LORD saw that Leah was hated, and he opened her womb; but Rachel was barren.
32Lea werd zwanger en baarde een zoon. Zij noemde hem Ruben, want ze zeide: Jahweh heeft mijn ellende gezien; nu zal mijn man van mij houden.
32And Leah conceived, and bore a son, and she called his name Reuben; for she said: 'Because the LORD hath looked upon my affliction; for now my husband will love me.'
33Zij werd een tweede maal zwanger, en baarde een zoon. Nu sprak zij: Jahweh heeft gehoord, dat ik een verschoppeling ben, en heeft mij ook dezen gegeven. En ze noemde hem Simeon.
33And she conceived again, and bore a son; and said: 'Because the LORD hath heard that I am hated, He hath therefore given me this son also.' And she called his name Simeon.
34Nog eens werd ze zwanger, en baarde een zoon. En ze sprak: Nu zal mijn man zich toch wel aan mij hechten; want ik heb hem al drie zonen gebaard. Daarom noemde zij hem Levi.
34And she conceived again, and bore a son; and said: 'Now this time will my husband be joined unto me, because I have borne him three sons.' Therefore was his name called Levi.
35Opnieuw werd zij zwanger, en baarde een zoon. En zij sprak: Nu loof ik Jahweh! Daarom noemde zij hem Juda. Daarna kreeg zij een tijdlang geen kinderen meer.
35And she conceived again, and bore a son; and she said: 'This time will I praise the LORD.' Therefore she called his name Judah; and she left off bearing.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.