Psalmen
Chapter 78
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
1Наука Асафа. Слухай, народе мій, науки моєї! Прихилїть ухо ваше до слів уст моїх!
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
2Вітворю уста до приповістї, роскажу загадки з перед віків давних;
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
3Про котрих ми чули і знаємо, і що їх розсказували нам батьки наші.
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
4Не втаїмо перед синами їх, будучим родам, звіщаючи хвалу Господа, і його потугу, і чудеса, котрі він сотворив.
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
5Він бо поставив сьвідченнє своє в Якові, і положив закон в Ізраїлї, заповідаючи батькам нашим, щоб синам своїм переказали.
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
6Щоб знав їх рід будучий, сини, що народитись мають, щоб і вони встали і синам своїм росказали,
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
7Щоб на Бога вповали, і про дїла Божі не забували, і заповідї його сповняли,
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
8І не були, як батьки їх, рід непокірний і ворохобливий, рід, що не статкував серцем, котрого дух не був вірний Богу.
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
9Сини Ефремові, оружні сагайдачні, кинулись назад в день бою.
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
10Не сповнили завіту Божого, і не схотїли ходити в законї його.
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
11Забули дїла його і чудеса його, котрі явив їм.
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
12Він сотворив чудеса перед батьками їх, в землї Египецькій, на полї Зоан.
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
13Він роздїлив море, і дав їм перейти, звелївши водам загатою, як ті вали, стояти.
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
14І провадив їх в день під хмарою, і цїлу ніч при сьвітлї огня.
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
15Пробивав скелю в пустинї, і щедро, як з глибинї, напував їх.
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
16Велїв потокам із скелї плисти, і водї річками збігати.
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
17Вони ж не покидали проти його грішити, і Всевишнього в пустинї гнївити.
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
18І скушали Бога в серцях своїх, просячи поживи для похотї своєї.
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
19І говорили вони проти Бога, кажучи: Чи може Бог приготовити стіл у пустинї?
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
20Бач, скелю пробив він, і бризнула вода, і заклекотїли потоки; чи зможе він дати хлїба? Або чи дасть мяса народові свому?
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
21Тим то, як почув Господь, розгнївився і поломя запалало проти синів Якова, і гнїв піднявся проти Ізраїля.
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
22Бо не вірили вони Богові, і не вповали на спасеннє його.
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
23А все ж таки повелїв він в горі хмарам, і відчинив двері небесні,
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
24І велївши, щоб падала манна на поживу їм, дав їм хлїба небесного.
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
25Хлїбом сильних живився чоловік, страви післав їм подостатком.
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
26Післав від сходу вітра з неба, і силою своєю пригнав вітра з полудня.
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
27І велїв, щоб падало мясо між них, як порошня, і птаство піряте, як пісок морський,
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
28І велїв падати серед табору їх, кругом домівок їх.
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
29І їли до сита дуже, і доставив їм, чого забаглося.
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
30Та ще не одвернулись від забаганок своїх, ще була страва їх в губах їх,
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
31Як піднявся гнїв Бога на них, і став він губити зміж сильних їх, і повалив вибраних Ізраїлевих.
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
32Та ще й тодї вони грішити не переставали, і в чудеса його не вірували.
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
33І дав їм коротати днї свої в марнотї, і лїта свої в страху.
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
34Коли вбивав їх, то шукали його і навертались, і благали Бога пильно.
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
35І спогадали вони, що Бог скеля їх, і Бог всевишнїй — спаситель їх.
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
36І притворялись перед ним устами своїми, і брехали язиком своїм.
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
37Серце бо їх не статкувало перед ним, завіту його вірно вони не сповняли.
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
38Але він змилосердився, він простив неправоту, і не запропастив їх; і часто одвертав гнїв свій, не дав попусту яростї своїй.
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
39І спогадав, що вони тїло, вітер, що проходить, і не вертає.
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
40Скілько то разів сердили вони його в пустинї, приводили в степах до смутку.
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
41І знов, скушаючи Бога, завдали жалю сьвятому Ізраїля.
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
42Не спогадали вони руки його, дня того, як вислобонив їх від гнобителя.
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
43Як явив знаки свої в Египтї і чудеса свої на полях Зоан:
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
44Він перемінив у кров ріки їх, так що не змогли пити води текучої.
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
45Допустив на них собачі мухи, щоб кусали їх, і жаби, щоб губили їх.
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
46Плоди їх віддав гусеницям, і працю їх саранї.
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
47Виногради їх побив градом, а садовину-морву ожеледдю.
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
48І віддав скотину їх градові, а отарі їх блискавкам.
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
49Післав на них жар гнїву свого, лютість і ярість і горе, юрбу ангелів нещастя.
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
50Дав попуст гнїву свому, не зберіг душі їх від смертї, і життя їх віддав чумі.
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
51І побив всїх первороднїв в Египтї, первенцїв сили у Хамових шатрах.
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
52І велїв народові свому, як вівцї, пускатись в дорогу, і вів їх, як стадо, в пустинї.
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
53І провадив їх безпечно, нїчого було їм боятись; а ворогів їх море покрило.
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
54І привів їх до гряницї сьвятинї своєї, до гори тої, котру здобула правиця його.
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
55І порозганяв народи перед ними, жеребом розпаював наслїддє, і поселив у шатрах їх поколїння Ізраїлеві.
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
56Але вони скушали і сердили Бога всевишнього, і сьвідчень його не додержували.
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
57Відступили і спроневірились, як батьки їх, вивернулись, як лук зрадливий.
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
58Розсердили його горбищами своїми, образами своїми вразили його.
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
59Бог почув і розлютився, і зовсїм відкинув Ізраїля.
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
60І покинув домівку Силомську, намет, що між людьми поставив його.
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
61І віддав в неволю силу свою, і славу свою в руки напасників.
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
62І віддав під меча нарід свій, і розлютився на наслїддє своє.
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
63Огонь пожер молодцїв їх, а дївчатам їх не сьпівали весїльних;
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
64Сьвященники їх полягли під мечем, а вдовицям їх нїколи було заплакати.
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
65Тодї пробудився Господь, мов би спячий, як лицарь, що вином покріпившись, гукає.
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
66І побив ворогів своїх на стрімголов, завдав їм вічний сором.
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
67І погордував шатром Йосифа, і не вибрав поколїння Ефремового;
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
68Тілько вибрав Юдин рід, гору Сион, що полюбив її.
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
69І збудував він сьвятиню, як гора високу, як земля, що на віки утвердив її.
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
70І вибрав Давида, слугу свого, і взяв його від отар овечих;
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
71Із за кормлящих овець покликав його, пасти Якова, свій народ, і Ізраїля, наслїддє своє.
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!
72І він пас їх в чистотї серця свого, і розумними руками провадив їх.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.