Psalmen 78
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
1ASCOLTA, o popol mio, la mia dottrina; Porgete gli orecchi alle parole della mia bocca.
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
2Io aprirò la mia bocca in sentenza; Io sgorgherò detti notevoli di cose antiche;
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
3Le quali noi abbiamo udite, e sappiamo, E le quali i nostri padri ci han raccontate.
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
4Noi non le celeremo a' lor figliuoli, alla generazione a venire; Noi racconteremo le lodi del Signore, E la sua forza, e le sue maraviglie ch'egli ha fatte.
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
5Egli ha fermata la testimonianza in Giacobbe, Ed ha posta la Legge in Israele; Le quali egli comandò a' nostri padri di fare assapere a' lor figliuoli;
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
6Acciocchè la generazione a venire, i figliuoli che nascerebbero, le sapessero, E si mettessero a narrar le a' lor figliuoli;
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
7E ponessero in Dio la loro speranza, E non dimenticassero le opere di Dio. Ed osservassero i suoi comandamenti;
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
8E non fossero come i lor padri, Generazione ritrosa e ribella; Generazione che non dirizzò il cuor suo, Il cui spirito non fu leale inverso Dio.
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
9I figliuoli di Efraim, gente di guerra, buoni arcieri, Voltarono le spalle al dì della battaglia.
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
10Non avevano osservato il patto di Dio, Ed avevano ricusato di camminar nella sua Legge;
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
11Ed avevano dimenticate le sue opere, E le maraviglie ch'egli aveva lor fatte vedere.
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
12Egli aveva fatti miracoli in presenza de' padri loro, Nel paese di Egitto, nel territorio di Soan.
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
13Egli aveva fesso il mare, e li aveva fatti passare per mezzo; Ed aveva fermate le acque come un mucchio.
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
14E li aveva condotti di giorno colla nuvola, E tutta notte colla luce del fuoco.
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
15Egli aveva schiantate le rupi nel deserto, E li aveva copiosamente abbeverati, come di gorghi;
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
16Ed aveva fatto uscir de' ruscelli della roccia, E colare acque, a guisa di fiumi.
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
17Ma essi continuarono a peccar contro a lui, Provocando l'Altissimo a sdegno nel deserto;
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
18E tentarono Iddio nel cuor loro, Chiedendo vivanda a lor voglia;
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
19E parlarono contro a Dio, E dissero: Potrebbe Iddio Metterci tavola nel deserto?
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
20Ecco, egli percosse la roccia, e ne colarono acque, E ne traboccarono torrenti; Potrebbe egli eziandio dar del pane, O apparecchiar della carne al suo popolo?
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
21Perciò, il Signore, avendoli uditi, si adirò fieramente; Ed un fuoco si accese contro a Giacobbe, Ed anche l'ira gli montò contro ad Israele;
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
22Perciocchè non avevano creduto in Dio, E non si erano confidati nella sua salvazione;
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
23E pure egli aveva comandato alle nuvole di sopra, Ed aveva aperte le porte del cielo;
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
24Ed aveva fatta piovere sopra loro la manna da mangiare, Ed aveva loro dato del frumento del cielo.
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
25L'uomo mangiò del pane degli Angeli; Egli mandò loro della vivanda a sazietà.
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
26Egli fece levar nel cielo il vento orientale, E per la sua forza addusse l'Austro;
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
27E fece piover sopra loro della carne, a guisa di polvere; Ed uccelli, a giusa della rena del mare.
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
28E li fece cadere in mezzo al lor campo, D'intorno a' lor padiglioni.
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
29Ed essi mangiarono, e furono grandemente satollati; E Iddio fece lor venire ciò che desideravano.
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
30Essi non si erano ancora stolti dalla lor cupidigia; Avevano ancora il cibo loro nella bocca,
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
31Quando l'ira montò a Dio contro a loro, Ed uccise i più grassi di loro, Ed abbattè la scelta d'Israele.
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
32Con tutto ciò peccarono ancora, E non credettero alle sue maraviglie.
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
33Laonde egli consumò i lor giorni in vanità, E gli anni loro in ispaventi.
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
34Quando egli li uccideva, essi lo richiedevano, E ricercavano di nuovo Iddio.
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
35E si ricordavano che Iddio era la lor Rocca, E che l'Iddio altissimo era il lor Redentore.
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
36Ma lo lusingavano colla lor bocca, E gli mentivano colla lor lingua;
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
37E il cuor loro non era diritto inverso lui, E non erano leali nel suo patto.
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
38E pure egli, che è pietoso, purgò la loro iniquità, e non li distrusse; E più e più volte racquetò l'ira sua, e non commosse tutto il suo cruccio;
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
39E si ricordò ch'erano carne; Un fiato che passa, e non ritorna.
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
40Quante volte lo provocarono essi a sdegno nel deserto, E lo contristarono nella solitudine!
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
41E tornarono a tentare Iddio, E limitarono il Santo d'Israele.
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
42Essi non si erano ricordati della sua mano, Nè del giorno nel quale li aveva riscossi dal nemico.
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
43(Come egli aveva eseguiti i suoi segni in Egitto, E i suoi miracoli nel territorio di Soan.
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
44Ed aveva cangiati i fiumi, e i rivi degli Egizi in sangue, Talchè essi non ne potevano bere.
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
45Ed aveva mandata contro a loro una mischia d'insetti che li mangiarono; E rane, che li distrussero.
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
46Ed aveva dati i lor frutti a' bruchi, E le lor fatiche alle locuste.
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
47Ed aveva guastate le lor vigne colla gragnuola, E i lor sicomori colla tempesta.
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
48Ed aveva dati alla grandine i lor bestiami, E le lor gregge a' folgori.
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
49Ed aveva mandato sopra loro l'ardore della sua ira, Indegnazione, cruccio e distretta; Una mandata d'angeli maligni.
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
50Ed aveva appianato il sentiero alla sua ira, E non aveva scampata l'anima loro dalla morte, Ed aveva dato il lor bestiame alla mortalità.
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
51Ed aveva percossi tutti i primogeniti in Egitto, E le primizie della forza ne' tabernacoli di Cam.
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
52E ne aveva fatto partire il suo popolo, a guisa di pecore; E l'aveva condotto per lo deserto, come una mandra.
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
53E l'aveva guidato sicuramente, senza spavento; E il mare aveva coperti i lor nemici.
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
54Ed egli li aveva introdotti nella contrada della sua santità, Nel monte che la sua destra ha conquistato.
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
55Ed aveva scacciate le nazioni d'innanzi a loro, E le aveva fatte loro scadere in sorte di eredità, Ed aveva stanziate le tribù d'Israele nelle loro stanze.)
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
56Ed avevano tentato, e provocato a sdegno l'Iddio altissimo, E non avevano osservate le sue testimonianze.
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
57Anzi si erano tratti indietro, E si erano portati dislealmente, Come i lor padri; E si erano rivolti come un arco fallace;
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
58E l'avevano provocato ad ira co' loro alti luoghi, E commosso a gelosia colle loro sculture.
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
59Iddio aveva udite queste cose , e se n'era gravemente adirato, Ed aveva grandemente disdegnato Israele.
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
60Ed aveva abbandonato il tabernacolo di Silo; Il padiglione ch'egli aveva piantato per sua stanza fra gli uomini.
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
61Ed aveva abbandonata la sua forza, ad esser menata in cattività, E la sua gloria in man del nemico.
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
62Ed aveva dato il suo popolo alla spada, E si era gravemente adirato contro alla sua eredità.
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
63Il fuoco aveva consumati i suoi giovani; E le sue vergini non erano state lodate.
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
64I suoi sacerdoti erano caduti per la spada; E le sue vedove non avevano pianto.
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
65Poi il Signore si risvegliò, Come uno che fosse stato addormentato; Come un uomo prode, che dà gridi dopo il vino.
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
66E percosse i suoi nemici da tergo, E mise loro addosso un eterno vituperio.
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
67Ed avendo riprovato il tabernacolo di Giuseppe, E non avendo eletta la tribù di Efraim;
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
68Egli elesse la tribù di Giuda; Il monte di Sion, il quale egli ama.
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
69Ed edificò il suo santuario, a guisa di palazzi eccelsi; Come la terra ch 'egli ha fondata in perpetuo.
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
70Ed elesse Davide, suo servitore, E lo prese dalle mandre delle pecore.
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
71Di dietro alle bestie allattanti Egli lo condusse a pascer Giacobbe, suo popolo; Ed Israele sua eredità.
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!
72Ed egli li pasturò, secondo l'integrità del suo cuore; E li guidò, secondo il gran senno delle sue mani.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.