Psalmen 92
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Een psalm; een lied voor de Sabbat. Heerlijk is het, Jahweh te loven, Uw Naam te prijzen, Allerhoogste,
1EGLI è una bella cosa di celebrare il Signore, E di salmeggiare al tuo Nome, o Altissimo;
2‘s Morgens vroeg uw goedheid te roemen, En uw trouw in de nacht:
2Di predicare per ogni mattina la tua benignità, E la tua verità tutte le notti;
3Op lier en harp, Met citerslag.
3In sul decacordo, e in sul saltero; Con canto di voce, giunto alla cetera.
4Want Gij hebt mij verblijd door uw daden, o Jahweh, En ik juich om het werk uwer handen.
4Perciocchè, o Signore, tu mi hai rallegrato colle tue opere; Io giubilo ne' fatti delle tue mani.
5Hoe groot zijn uw werken, o Jahweh, Hoe peilloos diep uw gedachten!
5Quanto son grandi, o Signore, le tue opere! I tuoi pensamenti son grandemente profondi.
6Dom, wie dàt niet erkent; Dwaas, wie dàt niet begrijpt.
6L'uomo stolto non conosce, E il pazzo non intende questo:
7Wanneer dan de zondaars groeien als gras, En al de boosdoeners bloeien: Dan is het, om voor altijd te gronde te gaan,
7Che gli empi germogliano come l'erba, E che tutti gli operatori d'iniquità fioriscono, Per perire in eterno.
8Maar Gij, Jahweh, blijft eeuwig verheven!
8Ma tu, o Signore, Sei l'Eccelso in eterno.
9Ja, uw vijanden, Jahweh, lopen hun bederf tegemoet, En alle boosdoeners worden verstrooid.
9Perciocchè, ecco, i tuoi nemici, o Signore; Perciocchè, ecco, i tuoi nemici periranno; E tutti gli operatori d'iniquità saranno dissipati.
10Maar mijn hoorn heft zich op als die van een buffel, Met verse olie word ik gezalfd;
10Ma tu alzerai il mio corno, come quello di un liocorno; Io sarò unto d'olio verdeggiante.
11Vol vreugde ziet mijn oog op mijn vijanden neer, Hoort mijn oor van die mij bestrijden.
11E l'occhio mio riguarderà i miei nemici; E le mie orecchie udiranno ciò che io desidero de' maligni Che si levano contro a me.
12Maar de rechtvaardige groeit als een palm, Als de ceder op de Libanon rijst hij omhoog.
12Il giusto fiorirà come la palma, Crescerà come il cedro nel Libano.
13Zij worden in Jahweh’s tempel geplant, En bloeien in de voorhoven van onzen God;
13Quelli che saran piantati nella Casa del Signore Fioriranno ne' cortili del nostro Dio.
14Zij dragen nog vrucht als ze oud zijn, En blijven nog sappig en fris.
14Nell'estrema vecchiezza ancor frutteranno, E saranno prosperi e verdeggianti;
15Zo verkondigen ze, dat Jahweh gerecht is, Mijn Rots, aan wien geen onrecht kleeft!
15Per predicare che il Signore, la mia Rocca, è diritto; E che non vi è alcuna iniquità in lui.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.