Psalmen
Chapter 62
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Voor muziekbegeleiding; voor Jedoetoen. Een psalm van David. Vertrouw rustig op God, mijn ziel, Want van Hem komt mijn heil;
1L'ANIMA mia si acqueta in Dio solo; Da lui procede la mia salute.
2Hij alleen is mijn rots en mijn redding, Mijn toevlucht: nooit zal ik wankelen!
2Egli solo è la mia rocca e la mia salvezza, Il mio alto ricetto; io non sarò giammai grandemente smosso.
3Hoe lang nog stormt gij op een ander los, En stoot hem met u allen omver Als een hellende wand, Of een vallende muur?
3Infino a quando vi avventerete sopra un uomo? Voi stessi sarete uccisi tutti quanti; E sarete simili ad una parete chinata, E ad un muricciuolo sospinto.
4Ze leggen het op zijn ondergang aan, En liegen er op los, om hem in het ongeluk te storten; Ze zegenen wel met hun mond, Maar vervloeken met hun hart.
4Essi non consigliano d'altro che di sospinger giù quest'uomo dalla sua altezza; Prendono piacere in menzogna; Benedicono colla lor bocca, Ma maledicono nel loro interiore. (Sela.)
5Vertrouw rustig op God, mijn ziel, Want van Hem komt mijn heil;
5Anima mia, acquetati in Dio solo; Perciocchè la mia speranza pende da lui.
6Hij alleen is mijn rots en mijn redding, Mijn toevlucht: nooit zal ik wankelen!
6Egli solo è la mia rocca e la mia salvezza; Egli è il mio alto ricetto, io non sarò giammai smosso.
7Bij God is mijn heil en mijn eer, God is mijn sterkte en mijn stut.
7In Dio è la mia salvezza e la mia gloria; In Dio è la mia forte rocca, il mio ricetto.
8Blijf altijd op God vertrouwen, mijn volk, Stort uw hart voor Hem uit: onze toevlucht is God!
8Confidatevi in lui, o popolo, in ogni tempo; Spandete i vostri cuori nel suo cospetto; Iddio è la nostra speranza. (Sela.)
9Maar de mens is enkel een zucht, De kinderen der mensen een leugen; In de weegschaal gaan ze allen omhoog, Ze zijn lichter dan lucht. Vertrouw rustig op God, mijn ziel, Want van Hem komt mijn heil; Hij alleen is mijn rots en mijn redding, Mijn toevlucht: nooit zal ik wankelen!
9Gli uomini volgari non sono altro che vanità, E i nobili altro che menzogna; Se fosser messi in bilance, Tutti insieme sarebbero pi ù leggieri che la vanità stessa.
10Ook in afpersing stelt geen vertrouwen. Op diefstal geen ijdele hoop; En als de rijkdom vermeerdert, Hecht uw hart er niet aan.
10Non vi confidate in oppressione, Nè in rapina; non datevi alla vanità; Se le ricchezze abbondano, Non vi mettete il cuore.
11Eén woord heeft God gesproken, En deze twee heb ik gehoord: Bij God is de macht;
11Iddio ha parlato una volta, E due volte ho udito lo stesso; Che ogni forza appartiene a Dio;
12bij U de genade, o Heer! En: Gij vergeldt iedereen naar zijn werken!
12E che a te, Signore, appartiene la benignità; Perciocchè tu renderai la retribuzione a ciascuno secondo le sue opere.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.