Psalmen
Chapter 17
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Gebed van David. Jahweh, hoor naar de stem van het recht, Luister naar mijn smeken; Verhoor mijn gebed, Van eerlijke lippen gevloeid.
1O SIGNORE, ascolta la giustizia, attendi al mio grido, Porgi l'orecchio alla mia orazione, che io ti fo senza labbra di frode.
2Van uw aanschijn gaat mijn oordeel uit, Uw ogen zien scherp;
2Proceda il mio giudicio dalla tua presenza; Gli occhi tuoi veggano le diritture.
3Gij peilt mijn hart, doorzoekt het des nachts, Beproeft mij: maar iets verkeerds vindt Gij niet.
3Tu hai provato il mio cuore, tu l 'hai visitato di notte; Tu mi hai messo al cimento, e non hai trovato nulla ; La mia bocca non trapassa il mio pensiero.
4Ik overtrad uw gebod niet, zoals de mensen dat doen, Maar volbracht het bevel uwer lippen;
4Nelle opere degli uomini, per la parola della tue labbra, Io mi son guardato dalle vie de' violenti.
5Op het pad uwer wetten heb ik mijn schreden gezet, Mijn voet heeft nooit op uw wegen gewankeld.
5Sostieni i miei passi ne' tuoi sentieri, Acciocchè i miei piedi non vacillino.
6Nu roep ik tot U; want Gij zult mij verhoren, o God; Luister naar mij, en hoor naar mijn smeken!
6Io t'invoco, o Dio, perciocchè tu mi esaudisci; Inchina a me il tuo orecchio, ascolta le mie parole.
7Doe wonderen van goedheid, o Redder van die op U hopen, En die op uw rechterhand steunen.
7Dimostra maravigliose le tue benignità, O tu, che, con la tua destra, salvi quelli che si confidano in te , Da quelli che si levano contro a loro .
8Behoed mij als de appel van uw oog, Verberg mij in de schaduw uwer vleugelen:
8Guardami come la pupilla dell'occhio, Nascondimi sotto l'ombra delle tue ale,
9Voor de bozen, die mij bespringen, Voor mijn vijanden, die mij woedend omringen.
9D'innanzi agli empi che mi disertano; E d'innanzi a' miei mortali nemici che mi circondano.
10Ze hebben hun hart met vet afgesloten, En blijven zwetsen met hun mond;
10Son tutti massicci di grasso, Parlano altieramente colla lor bocca.
11Ze omsingelen mij, waar ik ook ga, Loerend, om mij ter aarde te werpen.
11Ora c'intorniano, seguitandoci alla traccia; Mirano con gli occhi, per atterrar ci ;
12Ze zijn als een leeuw, die hunkert naar buit, Als een leeuwenwelp, dat in hinderlaag ligt.
12Somigliano un leone che brama di lacerare; E un leoncello che dimora in nascondimenti.
13Op, Jahweh, hem tegemoet, stort hem neer, En red mijn ziel van den boze!
13Levati, o Signore, va' loro incontro per affrontarli; abbattili; Riscuoti l'anima mia dall'empio col la tua spada;
14Uw zwaard moge ze doden, Jahweh, uw hand ze van de aarde verdelgen! Dit zij hun deel in het leven; En hebt Gij nog meer, vul er hun buik mee; Laat hun zonen er zich aan vergasten, En de rest aan hun kinderen vermaken.
14O Signore, riscuotila col la tua mano dagli uomini, dagli uomini del mondo, La cui parte è in questa vita, E il cui ventre tu empi delle tue conserve; Onde i lor figliuoli son saziati, E lasciano il lor rimanente a' lor piccoli fanciulli.
15Maar laat mij door mijn gerechtigheid uw aanschijn aanschouwen, Mij aan uw glorie verzadigen na het ontwaken!
15Quant' è a me, per giustizia vedrò la tua faccia; Io sarò saziato della tua sembianza, quando io mi risveglierò.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.