Psalmen 73
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Psalm van Asaf. Waarachtig; God is goed voor den rechtvaardige, Jahweh voor de reinen van hart!
1CERTAMENTE Iddio è buono ad Israele, A quelli che son puri di cuore.
2Toch waren haast mijn voeten gestruikeld, Mijn schreden bijna uitgegleden!
2Ora, quant'è a me, quasi che incapparono i miei piedi; Come nulla mancò che i miei passi non isdrucciolassero.
3Want ik was jaloers op de bozen, Omdat ik de voorspoed der zondaars zag;
3Perciocchè io portava invidia agl'insensati, Veggendo la prosperità degli empi.
4Voor hen toch bestaat er geen lijden, Gezond en vol kracht is hun lijf.
4Perciocchè non vi sono alcuni legami alla lor morte; E la lor forza è prosperosa.
5Ze hebben geen zorgen als andere mensen, Worden niet als anderen geplaagd;
5Quando gli altri uomini sono in travagli, essi non vi son punto; E non ricevono battiture col rimanente degli uomini.
6Daarom hangen ze hoogmoed om als een keten, Bedekt hen geweld als een mantel.
6Perciò, la superbia li cinge a giusa di collana; La violenza li involge come un vestimento.
7De misdaad puilt uit hun vet, Hun hart loopt over van slechte gedachten;
7Gli occhi escono loro fuori per lo grasso; Avanzano le immaginazioni del cuor loro .
8Ze honen en lasteren, En dreigen op hoge toon met geweld.
8Son dissoluti, e per malizia ragionano di oppressare; Parlano da alto.
9Ze zetten een mond op tegen de hemel, En hun tong gaat zich tegen de aarde te buiten.
9Mettono la lor bocca dentro al cielo, E la lor lingua passeggia per la terra.
10Daarom lopen de dwazen achter hen aan, En slurpen begerig hun woorden op.
10Perciò, il popolo di Dio riviene a questo, Veggendo che l'acqua gli è spremuta a bere a pien calice ,
11Ze zeggen: “Hoe zou God er iets van weten, De Allerhoogste er kennis van hebben?”
11E dice: Come può essere che Iddio sappia ogni cosa , E che vi sia conoscimento nell'Altissimo?
12Zie, zo gaat het de zondaars: Ze zijn altijd gelukkig, en hopen zich rijkdommen op!
12Ecco, costoro son empi, e pur godono pace e tranquillità in perpetuo; Ed accrescono le lor facoltà.
13Heb ik dan mijn hart vergeefs in reinheid bewaard, En mijn handen in onschuld gewassen:
13Indarno adunque in vero ho nettato il mio cuore, Ed ho lavate le mie mani nell'innocenza.
14De ganse dag word ik geplaagd, Iedere morgen opnieuw geslagen!
14Poichè son battuto tuttodì, Ed ogni mattina il mio gastigamento si rinnuova .
15Dacht ik: Zo wil ik spreken! Dan brak ik de trouw van het geslacht uwer kinderen;
15Se io dico: Io ragionerò così; Ecco, io son disleale inverso la generazione de' tuoi figliuoli.
16Maar als ik ging peinzen, om het te vatten, Dan bleef het een raadsel in mijn oog.
16Io ho adunque pensato di volere intender questo; Ma la cosa mi è parsa molto molesta.
17Totdat ik in Gods raadsbesluiten drong, En op hun einde ging letten:
17Infino a tanto che sono entrato ne' santuari di Dio; Ed ho considerato il fine di coloro.
18Ja, Gij hebt ze op een glibberige bodem gezet, Ze gestort in hun eigen verderf!
18Certo, tu li metti in isdruccioli; Tu li trabocchi in ruine.
19Hoe zijn ze in een oogwenk vernietigd, Verdwenen, in verschrikkelijke rampen vergaan:
19Come sono eglino stati distrutti in un momento! Come son venuti meno, e sono stati consumati per casi spaventevoli!
20Heer, als een droom, die bij het ontwaken vervliegt, Wiens beeld we bij het opstaan verachten!
20Son come un sogno, dopo che l'uomo si è destato; O Signore, quando tu ti risveglierai, tu sprezzerai la lor vana apparenza.
21Als dus mijn hart nog verbitterd zou zijn, En mijn nieren bleven geprikkeld,
21Quando il mio cuore era inacerbito, Ed io era punto nelle reni;
22Dan was ik een dwaas en een zot, Een stuk vee in uw oog.
22Io era insensato, e non aveva conoscimento; Io era inverso te simile alle bestie.
23Want ik blijf altijd bij U, Gij houdt mij bij de rechterhand;
23Ma pure io sono stato del continuo teco; Tu mi hai preso per la man destra.
24Gij leidt mij naar uw raadsbesluit, En herstelt mij in ere!
24Tu mi condurrai per lo tuo consiglio, E poi mi riceverai in gloria;
25Wat heb ik toch in de hemel; Ook op aarde verlang ik niets buiten U!
25Chi è per me in cielo, fuor che te? Io non voglio altri che te in terra.
26Al bezwijken mijn vlees en mijn hart, God is voor eeuwig de Rots van mijn hart en mijn erfdeel.
26La mia carne ed il mio cuore erano venuti meno: Ma Iddio è la rocca del mio cuore, e la mia parte in eterno.
27Maar die U verlaten, gaan zeker te gronde, Gij vernietigt wie van U afvalt;
27Perciocchè, ecco, quelli che si allontanano da te periranno; Tu distruggerai ogni uomo che fornica ndo si svia da te.
28Doch mij is het goed, in Gods nabijheid te blijven, En mijn vertrouwen te stellen op Jahweh, mijn Heer!
28Ma quant'è a me, egli mi è buono di accostarmi a Dio; Io ho posta nel Signore Iddio la mia confidanza, Per raccontar tutte le opere sue.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.