Psalmen 61
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Voor muziekbegeleiding; met harpen. Van David. Hoor toch, o God, mijn gejammer, En let op mijn smeken:
1O DIO, ascolta il mio grido; Attendi alla mia orazione.
2Van het einde der aarde roep ik tot U In de beklemmende angst van mijn hart. Stel mij hoog op de Rots, en laat mij daar rusten,
2Io grido a te dall'estremità della terra, mentre il mio cuore spasima; Conducimi in su la rocca, che è troppo alta da salirvi da me.
3Want Gij zijt mijn toevlucht en sterkte tegen den vijand;
3Perciocchè tu mi sei stato un ricetto, Una torre di fortezza d'innanzi al nemico.
4Laat mij in uw woontent voor eeuwig uw gast zijn, En mij verbergen in de schaduw uwer vleugelen.
4Io dimorerò nel tuo tabernacolo per molti secoli; Io mi riparerò nel nascondimento delle tue ale. (Sela.)
5Want Gij hoort mijn beloften, o mijn God, En vervult de wens van hen, die uw Naam vrezen:
5Perciocchè tu, o Dio, hai esauditi i miei voti; Tu mi hai data l'eredità di quelli che temono il tuo Nome.
6Vermeerder de dagen des konings, En zijn jaren van geslacht tot geslacht;
6Aggiungi giorni sopra giorni al re; Sieno gli anni suoi a guisa di molte età.
7Moge hij altijd voor Gods aangezicht tronen, En liefde en trouw hem behoeden.
7Dimori in perpetuo nel cospetto di Dio; Ordina benignità e verità che lo guardino.
8Dan zal ik uw Naam in eeuwigheid prijzen, Dag aan dag U mijn dankoffer brengen!
8Così salmeggerò il tuo Nome in perpetuo, Per adempiere ogni giorno i miei voti.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.