Psalmen 127
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Een bedevaartslied; van Salomon. Wanneer Jahweh het huis niet bouwt, Is het zwoegen der bouwlieden ijdel; Wanneer Jahweh de stad niet behoedt, Waken de wachters vergeefs.
1SE il Signore non edifica la casa, In vano vi si affaticano gli edificatori; Se il Signore non guarda la città, In vano vegghiano le guardie.
2Dan heeft het geen zin, vroeg op te staan, Of laat u te ruste te leggen; Gij eet dan het brood in uw zweet: Maar dien Hij liefheeft, geeft Hij het ook in de slaap.
2Voi che vi levate la mattina a buon'ora, e tardi vi posate, E mangiate il pane di doglie, in vano il fate ; In luogo di ciò, Iddio dà il sonno a colui ch'egli ama.
3Waarachtig; zonen zijn geschenken van Jahweh, De vrucht van de schoot een beloning!
3Ecco, i figliuoli sono una eredità del Signore; Il frutto del ventre è un premio.
4Als pijlen in de hand van den strijder, Zijn de zonen, verwekt in de jeugd;
4Quali son le saette in mano d'un valent' uomo , Tali sono i figliuoli in giovanezza.
5Gelukkig de man, Die er zijn koker van vol heeft: Hij hoeft niet verlegen te staan, Als hij onder de poort met zijn vijanden twist.
5Beato l'uomo che ne ha il suo turcasso pieno; Tali non saranno confusi, Quando parleranno co' lor nemici nella porta.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.