Psalmen 132
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Een bedevaartslied. Blijf David gedenken, o Jahweh, En alle moeite, die hij zich troostte,
1RICORDATI, Signore, di Davide, E di tutte le sue afflizioni.
2Omdat hij Jahweh had gezworen, Jakobs Sterke had beloofd:
2Come egli giurò al Signore, E fece voto al Possente di Giacobbe, dicendo:
3Ik zal mijn woontent niet ingaan, Mijn legerstede niet beklimmen,
3Se io entro nel tabernacolo della mia casa, Se salgo sopra la lettiera del mio letto;
4Mijn ogen geen slaap gunnen, Mijn wimpers geen sluimer:
4Se do alcun sonno agli occhi miei, O alcun sonnecchiare alle mie palpebre;
5Voordat ik een plaats heb gevonden voor Jahweh, Voor Jakobs Sterke een woning!
5Infino a tanto che io abbia trovato un luogo al Signore, Degli abitacoli al Possente di Giacobbe.
6Zie, wij hoorden, dat zij in Efráta was, Wij vonden haar weer in de velden van Jáar;
6Ecco, noi abbiamo udito che l'Arca era stata nella contrada Efratea; Poi la trovammo ne' campi di Iaar.
7Laat ons naar zijn Woning gaan, En ons voor zijn voetbank werpen!
7Entriamo negli abitacoli del Signore; Adoriamo allo scannello de' suoi piedi.
8Jahweh, trek op naar uw rustplaats, Gij zelf en de ark uwer glorie!
8Levati, Signore; Tu, e l'Arca della tua forza, per entrar nel tuo riposo.
9Mogen uw priesters met gerechtigheid worden bekleed, En uw vromen een jubellied zingen!
9I tuoi sacerdoti sieno rivestiti di giustizia, E giubilino i tuoi santi.
10Om wille van David, uw dienaar, Wijs het gebed van uw gezalfde niet af!
10Per amor di Davide, tuo servitore, Non negare al tuo unto la sua richiesta.
11En Jahweh heeft aan David gezworen, Een trouwe Belofte, waarvan Hij niet afwijkt: Van de vrucht van uw schoot Zet Ik er een op uw troon!
11Il Signore giurò verità a Davide, E non la rivocherà, dicendo : Io metterò sopra il tuo trono del frutto del tuo ventre.
12En zo uw zonen mijn verbond onderhouden, En de vermaningen, die Ik hun gaf, Dan zullen ook hùn zonen voor eeuwig Op uw troon blijven zitten!
12Se i tuoi figliuoli osservano il mio patto, E la mia testimonianza, che io insegnerò loro; Essi , e i lor figliuoli in perpetuo, Sederanno sopra il tuo trono.
13Want Jahweh heeft Sion verkoren, En Zich tot woning begeerd!
13Perciocchè il Signore ha eletta Sion; Egli l'ha gradita per sua stanza, dicendo:
14“Hij is mijn rustplaats voor eeuwig; Hier wil Ik wonen, want hèm heb Ik verkoren!
14Questo è il mio riposo in perpetuo, Qui abiterò; perciocchè questo è il luogo che io ho desiderato.
15Zijn mondkost zal Ik ruimschoots zegenen, Zijn armen verzadigen met brood;
15Io benedirò largamente la sua vittuaglia; Io sazierò di pane i suoi poveri.
16Zijn priesters zal Ik met heil bekleden. Zijn vromen zullen een jubellied zingen!
16E vestirò i suoi sacerdoti di vesti di liberazione; E i suoi santi giubileranno in gran letizia.
17Hier zal Ik David een Hoorn doen ontspruiten, Een lamp ontsteken voor mijn Gezalfde;
17Quivi farò germogliare un corno a Davide; E terrò accesa una lampana al mio unto.
18Zijn vijanden zal Ik met schande bedekken, Mijn kroon zal schitteren op zijn hoofd!”
18Io vestirò i suoi nemici di vergogna; E la sua benda reale fiorirà sopra lui.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.