Psalmen 132
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Een bedevaartslied. Blijf David gedenken, o Jahweh, En alle moeite, die hij zich troostte,
1Rememoru, ho Eternulo, Davidon kaj ĉiujn liajn suferojn;
2Omdat hij Jahweh had gezworen, Jakobs Sterke had beloofd:
2Ke li ĵuris al la Eternulo, Kaj donis sanktan promeson al la Potenculo de Jakob:
3Ik zal mijn woontent niet ingaan, Mijn legerstede niet beklimmen,
3Mi ne eniros en la ŝirmejon de mia domo, Mi ne supreniros sur la liton, pretigitan por mi;
4Mijn ogen geen slaap gunnen, Mijn wimpers geen sluimer:
4Mi ne donos dormon al miaj okuloj, Nek dormeton al miaj palpebroj,
5Voordat ik een plaats heb gevonden voor Jahweh, Voor Jakobs Sterke een woning!
5Ĝis mi trovos lokon por la Eternulo, Loĝejon por la Potenculo de Jakob.
6Zie, wij hoorden, dat zij in Efráta was, Wij vonden haar weer in de velden van Jáar;
6Jen ni aŭdis, ke ĝi estas en Efrata; Ni ĝin trovis sur arbara kampo.
7Laat ons naar zijn Woning gaan, En ons voor zijn voetbank werpen!
7Ni iru en Lian loĝejon, Ni kliniĝu antaŭ la benketo de Liaj piedoj.
8Jahweh, trek op naar uw rustplaats, Gij zelf en de ark uwer glorie!
8Leviĝu, ho Eternulo, en Vian ripozejon, Vi kaj la kesto de Via potenco.
9Mogen uw priesters met gerechtigheid worden bekleed, En uw vromen een jubellied zingen!
9Viaj pastroj vestiĝu per justeco, Kaj Viaj fideluloj triumfu.
10Om wille van David, uw dienaar, Wijs het gebed van uw gezalfde niet af!
10Pro David, Via sklavo, Ne forturnu la vizaĝon de Via sanktoleito.
11En Jahweh heeft aan David gezworen, Een trouwe Belofte, waarvan Hij niet afwijkt: Van de vrucht van uw schoot Zet Ik er een op uw troon!
11La Eternulo ĵuris al David veron, kaj Li ne dekliniĝos de ĝi: Frukton de via ventro Mi sidigos sur via trono;
12En zo uw zonen mijn verbond onderhouden, En de vermaningen, die Ik hun gaf, Dan zullen ook hùn zonen voor eeuwig Op uw troon blijven zitten!
12Se viaj filoj observos Mian interligon kaj Mian leĝon, kiun Mi instruos al ili, Tiam ankaŭ iliaj filoj eterne sidos sur via trono.
13Want Jahweh heeft Sion verkoren, En Zich tot woning begeerd!
13Ĉar la Eternulo elektis Cionon, Kaj deziris, ke ĝi estu loĝejo por Li:
14“Hij is mijn rustplaats voor eeuwig; Hier wil Ik wonen, want hèm heb Ik verkoren!
14Ĉi tio estas Mia ripozejo por eterne; Ĉi tie Mi loĝos, ĉar ĝin Mi ekdeziris.
15Zijn mondkost zal Ik ruimschoots zegenen, Zijn armen verzadigen met brood;
15Ĝian nutraĵon Mi abunde benos, Ĝiajn malriĉulojn Mi satigos per pano.
16Zijn priesters zal Ik met heil bekleden. Zijn vromen zullen een jubellied zingen!
16Kaj ĝiajn pastrojn Mi vestos per savo; Kaj ĝiaj fideluloj ĝojos kaj triumfos.
17Hier zal Ik David een Hoorn doen ontspruiten, Een lamp ontsteken voor mijn Gezalfde;
17Tie Mi elkreskigos kornon al David, Tie Mi aranĝos lumilon por Mia sanktoleito.
18Zijn vijanden zal Ik met schande bedekken, Mijn kroon zal schitteren op zijn hoofd!”
18Liajn malamikojn Mi kovros per honto; Sed sur li brilos lia krono.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.