Psalmen 51
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David, nadat de profeet Natan bij hem was gekomen, omdat hij gemeenschap met Bat-Sjéba had gehad. Erbarm U mijner naar uw genade, o God; Delg mijn misdaden uit naar uw grote ontferming;
1Korfavoru min, ho Dio, laŭ Via boneco; Laŭ Via granda kompatemeco elstreku miajn pekojn.
2Was mij vlekkeloos schoon van mijn schuld, En reinig mij van mijn zonde.
2Lavu min tute pure de mia krimo, Kaj purigu min de mia peko.
3Want ik ben mij mijn misdaad bewust, En mijn zonde staat mij steeds voor de geest:
3Ĉar miajn kulpojn mi konsciadas; Kaj mia peko estas ĉiam antaŭ mi.
4Tegen U, ach, tegen U heb ik gezondigd, En kwaad in uw ogen gedaan. Zo zult Gij rechtvaardig zijn in uw vonnis, En onberispelijk in uw gericht:
4Antaŭ Vi sola mi pekis, Kaj mi faris tion, kio estas malbona antaŭ Viaj okuloj; Tial Vi estas justa en Via vorto Kaj pura en Via juĝo.
5Want in ongerechtigheid ben ik geboren, En mijn moeder ontving mij in zonde.
5Mi estas ja naskita en krimo; Kaj en peko gravediĝis per mi mia patrino.
6Zie, Gij bemint de oprechtheid des harten: Daarom brengt Gij mijn geweten tot inkeer;
6Vi amas ja veron en la koro, Kaj en kaŝiteco Vi aperigas al mi saĝon.
7Gij besprengt mij met hysop, en weer ben ik rein, Gij wast mij schoon, en ik ben blanker dan sneeuw.
7Senpekigu min per hisopo, kaj mi fariĝos pura; Lavu min, kaj mi estos pli blanka ol neĝo.
8Laat mij weer vreugde en blijdschap genieten, En mijn beenderen juichen, die Gij hebt verbrijzeld;
8Aŭdigu al mi ĝojon kaj gajecon, Kaj regajiĝos la ostoj, kiujn Vi batis.
9Bedek uw gelaat voor mijn zonden, En delg al mijn misdaden uit.
9Kaŝu Vian vizaĝon de miaj pekoj, Kaj ĉiujn miajn krimojn elstreku.
10Schep mij een zuiver hart, o mijn God, En leg in mijn boezem een nieuwe, standvastige geest;
10Koron puran kreu al mi, ho Dio, Kaj spiriton fidelan novigu en mi.
11Verstoot mij niet van uw aanschijn, En neem uw heilige geest niet van mij weg.
11Ne forpuŝu min de Via vizaĝo, Kaj Vian sanktan spiriton ne forprenu de mi.
12Schenk mij terug de vreugd van uw heil, En versterk in mij de gewillige geest;
12Redonu al mi la ĝojon de Via helpo; Kaj spirito bonfara fortikigu min.
13Dan zal ik de bozen uw wegen doen kennen, En de zondaars zullen zich tot U bekeren.
13Mi instruos al la krimuloj Vian vojon; Kaj pekuloj revenos al Vi.
14Bevrijd mij van bloedschuld, o Jahweh, God van mijn heil, En mijn tong zal uw barmhartigheid loven;
14Liberigu min de sango, ho Dio, Dio de mia savo; Mia lango kantos Vian justecon.
15Open mijn lippen, o Heer, En mijn mond verkondigt uw lof.
15Ho, mia Sinjoro, malfermu miajn lipojn; Kaj mia buŝo rakontos Vian gloron.
16Neen, slachtoffers behagen U niet, En zo ik U brandoffers bracht, Gij zoudt ze niet willen;
16Ĉar Vi ne deziras oferdonon, alie mi ĝin donus; Brulofero ne plaĉas al Vi.
17Maar een vermorzeld gemoed is een offer voor God, Een verbrijzeld en deemoedig hart versmaadt Gij niet, o mijn God!
17Oferdonoj al Dio estas spirito suferanta; Koron suferantan kaj humilan Vi, ho Dio, ne malŝatas.
18Wees Sion naar uw goedheid genadig, En bouw de muren van Jerusalem weer op;
18Bonfaru al Cion laŭ Via favoro, Konstruu la murojn de Jerusalem;
19Dan zullen brand- en zoenoffers U als waarachtige offers behagen, En brengt men weer varren op uw altaar.
19Tiam plaĉos al Vi oferdonoj de pieco, brulofero kaj plenofero; Tiam oni metos sur Vian altaron junajn bovojn.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.